IDe Zwitserse reformator Heinrich Bullinger (1504-1575) heeft in zijn langdurige loopbaan veel diensten bewezen aan de kerk van Zürich. Hij bood veel handreikingen voor een bijbels verantwoorde vormgeving van kerk en theologie. Daartoe behoren naast de vele preken – vaak ging hij zes keer in de week voor in de Grossmünster – ook zijn geschriften over Verbond en Doop en zijn confrontaties met doperse radicalen. Daarin stonden bij Bullinger de belangen van de kerk zowel als die van de stad hoog in het vaandel. Hij richtte zich meer dan eens tot de overheid om zijn opvattingen over actuele politieke zaken bekend te maken. In die betrokkenheid willen we de vraag onder ogen zien in welke verhouding geloof en politiek bij Bullinger tot elkaar staan, speciaal gerelateerd aan zijn publicaties over het Verbond.

Oriëntatie

Het is altijd ietwat riskant één aspect van alle opvattingen van een groot theoloog te verheffen tot hét meest kenmerkende. Wie vervolgens gaat tellen en wegen kan al gauw tot de ontdekking komen dat van zoiets geen sprake is. Zo waren er op het in 2004 te Zürich gehouden congres in verband met de 500stegeboortedag van Bullinger van de 49 sprekers slechts drie, nl. prof. dr. Willem van ’t Spijker (Apeldoorn), prof. dr. Aurelio Garcia (Porto Rico) en prof. dr. Lukas Vischer (Genève), die het thema van Gods Verbond expliciet behandelden.[1]Daar kan men nog aan toevoegen de bijdrage van de Zuid-Afrikanen Andries Raath en Shaun de Freitas waarin aandacht wordt geschonken aan de theologisch-politieke leer van het federalisme.[2]Cijfermatig samen dus 8 %, maar staat daarmee dit thema niet meer centraal bij Bullinger? Zijn theologie wordt in Nederland (te) weinig gekend, waardoor zijn grote betekenis in de historie van de Reformatie niet goed in beeld komt.[3]

Men kan zonder veel moeite tot de ontdekking komen dat Bullinger vanaf het begin van zijn loopbaan het Verbond Gods gezien heeft als de dragende factor van heel veel van zijn theologisch nadenken. Of hij vanaf het begin ook de polis als burgerlijke samenleving op het oog had valt te betwijfelen. De Zwitserse theoloog Peter Opitz ziet het Verbond bij Bullingerals ‘hermeneutische und theologische Grundkategorie’.[4]De Engelse kerkhistoricus George M. Elia [5]maakte o.i. terecht de opmerking: “For Bullinger, baptism, the Lord’s Supper, predestination, election, reprobation, law and gospel, the forgiveness of sins, justification, sanctification and the perseverance of the saints, are all to be understood in the ‘Covenant’ context of God choosing a people for Himself in Christ and binding them to Him for eternity. This ‘Covenant’ thus centres alone in the work and offices of the Lord Jesus Christ through whom as Head of the ‘Covenant’ all believers have access to every ‘Covenant’ blessing.[6]Dit onderstreept het historische feit dat Heinrich Bullinger in 1500 jaar kerkgeschiedenis de eerste theoloog is geweest die een afzonderlijk boek wijdde aan het onderwerp van het Verbond.[7]Zo blijft het een uitdaging om het thema van het Verbond ‘an sich’ te zien schitteren – en dan steeds in relatie met andere capita uit de theologie. Een recent voorbeeld daarvan vindt men in een overzichtelijk artikel van de Nieuw-Zeelandse theoloog Joe Mock over bijbelse en theologische thema’s in Bullingers boek De Testamento.[8]

Waar men in de 21steeeuw geen behoefte meer heeft aan eenzijdigheden [9]en wellicht meer oog heeft voor de betekenis van de kerk voor de samenleving, willen we bij Bullinger in het bijzonder nagaan welk effect de leer van het Verbond heeft gehad, niet alleen in de kerk, maar vooral ook in de polis Zürich. Het is bij sommige wetenschappers niet ongebruikelijk om Bullingers visie op het Verbond als model te zien voor stad en kerk. Maar hoe duidelijk ligt dat bij deze Zürichse reformator?  

Zürich 

De geschiedenis van Zürich toont vanaf de middeleeuwen een nauwe band met het Duitse rijk. Dat begon dadelijk merkbaar te worden na de verdeling van het Karolingische rijk in het Verdrag van Verdun 843, toen Lodewijk de Duitser het Oost-Frankische deel kreeg toegewezen, waartoe ook Zwitserland behoorde. De bouw van de Fraumünster in Zürich was Lodewijks sympathieke initiatief. Eeuwen later werd de Grossmünster gebouwd. Zürich werd in 1262 een Duitse Reichsstadt, wat een bijna onafhankelijke positie betekende, al bleef ze nog tot 1648 (de Vrede van Westfalen) deel uitmaken van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. 

Het streven naar volledige vrijheid was sterk bepalend voor de geschiedenis van Zwitserland. Zo sloot Zürich zich in 1351 dan ook aan bij het Zwitserse Eedgenootschap, een federatie of verbond van vrije, zelfstandige kantons. Samen verdedigde men zich tegen de machtsaanspraken van de Habsburgers. Maar ook een kanton zelf was een bondgenootschap van de verschillende regio’s. Het federatieve staatsmodel staat de Zwitsers in het lijf geschreven. 

Vanaf zijn aantreden in 1519 kreeg de reformator Huldrych Zwingli grote invloed in Zürich, hij werd aangesteld als Antistes(hoofdpredikant) en tevens als geestelijke raadsman voor de stadsregering.[10]

De inrichting van het bestuur van Zürich was in de 16deeeuw in hoofdlijnen als volgt geregeld. De stad met ruim 5000 inwoners wordt geregeerd door twee raden: de Grote Raadvan 200 (met in werkelijkheid 212 leden), gekozen door de gilden, en de Kleine Raaddie 50 leden telde. Bij de laatste lag de feitelijke macht; terwijl de uitvoering van de raadsbesluiten opgedragen was aan twee uit haar midden  aangewezen burgemeesters. De Kleine Raad had o.m. het recht om geestelijken aan te stellen in een parochie. Dat paste in de oude traditie dat de overheid grote zeggenschap had in kerkelijke zaken. In 1523 lieten de burgemeesters, in samenwerking met de Kleine en Grote Raad in Zürich het eerste openbare godsdienstgesprek houden, waarbij Zwingli en zijn medestanders de overwinning (op de rooms-katholieken) behaalden. Daarmee kreeg de reeds in 1519 begonnen Reformatie van Zürich een wettig karakter. Een later gehouden godsdienstgesprek bevestigde dat, nu ten opzichte van de doperse beweging. Deze situatie bleef zo toen Bullinger zijn dienst begon. Daardoor had het ‘corpus christianum’in Zürich een gereformeerde kleur gekregen. Hoe mooi dat ook lijkt, er blijven vragen hangen. Hoe stond het met de publieke tolerantie ten opzichte van ‘andersgelovenden’? En: werd de onderliggende verbondsgedachte niet erg op de proef gesteld? 

De start van Bullingers publieke optreden 

Nu volgt een kort overzicht van Bullingers loopbaan.[11]Na zijn opleiding in zijn geboorteplaats Bremgarten (kanton Aargau) en in de Duitse Rijnsteden Emmerich en Keulen werd Heinrich Bullinger docent aan de kloosterschool te Kappel, waar hij zijn keuze maakte voor de Reformatie. Hij diende enkele jaren als Pfarrer in Hausen en Bremgarten. In 1531 veranderde er veel. Toen nam de raad van Zürich, op voorstel van Zwingli, het besluit een blokkade op te richten tegen steden en dorpen die de Reformatie dwarsboomden en reformatorisch gezinde inwoners tegenwerkten. Zürich verwachtte dat de uithongering van deze plaatsen ertoe zou leiden dat er concessies gedaan werden ten gunste van de Reformatie. Hoe riskant deze politiek was, bleek spoedig. De rooms-katholieke steden en dorpen verenigden hun krachten en trokken ten oorlog tegen Zürich. Dit leidde tot de Slag bij Kappel, waarbij Zwingli – mee uitgetrokken als veldprediker – om het leven kwam. Dat verlies was al zeer ernstig, maar daar kwam nog bij dat het stadje Bremgarten, de woonplaats van Bullinger, in handen viel van de rooms-katholieke troepen. Hun vredesdictaat kwam erop naar dat Bremgarten de rooms-katholieke religie weer moest toelaten en dat de gereformeerden het veld moesten ruimen. Deze rekatholisering had tot gevolg dat Bullinger met zijn gezin naar Zürich vluchtte. Daar was hij welkom. Hij werd er predikant en tevens voorzitter van het Ehegericht, een soort huwelijksrechtbank waarin kerk en staat beide participeerden. En al spoedig werd Bullinger door de Grote Raad aangesteld als Antistes

Bullinger bekleedde dat ambt zijn leven lang. Hij onderhield een uitgebreide correspondentie, niet alleen met collega-theologen, maar ook met mensen met regeringsverantwoordelijkheid in heel Europa. De bescherming en bevordering van de Reformatie was Bullingers hoogste doel.  

De nauwe, wederzijdse betrokkenheid van kerk en politiek in Zürich was tijdens het leven van Zwingli al een vast gegeven, ook toen de kerk tot reformatie was gekomen. Het leek er sterk op dat de politieke verbondsgedachte een vernieuwde werkelijkheid was geworden. Had er in Zürich een soort ‘verbondsvernieuwing’ plaats gehad, waarbij Zürich zich als christelijke stadsstaat opnieuw had gebonden aan de enig ware, zuivere religie? Daarmee voerde de stad politieke consequenties door die wel voor allen golden, maar niet door alle inwoners werden aanvaard. Binnen het stedelijk territorium toe kregen de ‘andersgelovenden’ in Zürich te maken met tegenwerking en onderdrukking. Dat kon resulteren in verbanning of zelfs de doodstraf. Van publieke tolerantie was geen sprake en kon ook geen sprake zijn, omdat de stadsregering alleen met betrouwbare burgers te maken wilde hebben – daarbij gelet op de kwetsbare situatie van de Reformatie in dit deel van Zwitserland. 

Het stadsbestuur van Zürich heeft er bij de benoeming van Bullinger in 1531 naar gestreefd de bemoeienis van de kerk met politieke zaken terug te dringen. Dat was voor de nieuwe Antistes van Zürich geen reden om zich terug te trekken. Hij kon er wel mee leven, echter onder één voorwaarde: hij wilde totale vrijheid om het Evangelie te verkondigen. Want, aldus Bullinger, kerk en staat zijn beide gebonden aan het Woord van God. De toespraak die hij bij zijn ambtsaanvaarding hield voor de Zürichse raad maakte dat duidelijk. Enerzijds  was er het gevaar van de overheersing van de kerk over de staat, anderzijds was het niet ondenkbaar dat de kerk door de staat werd beheerst. De rechten van beide instituten moesten worden geëerbiedigd. De rede vond algemene instemming. De raad verklaarde aan de kerk van de Reformatie een volledige godsdienstvrijheid. De overheid had zich helemaal losgemaakt van de Rooms-katholieke kerk en wilde zich voortaan alleen onderwerpen aan het Woord van God. Daarmee was het vertrouwen tussen kerk en staat weer hersteld. Deze wederkerigheid vond haar basis in het verbond. Zoals God in Zijn Verbond door beloften en eisen de onderlinge relatie vorm gaf,  zo werden in Zürich kerk en staat twee partners in het publieke domein die ook door beloften en eisen aan elkaar verbonden waren. In die beloften stond voor Bullinger de eedcentraal. Niet als slechts een formaliteit, die men gedachteloos kon uitspreken, maar als een realiteit. De goddelijke ernst daarvan – immers God was de Grote Getuige – heeft Bullinger meer dan eens aan zijn hoorders, onder hen ook de burgerlijke autoriteiten, voorgehouden. Alleen in de weg van het leven volgens Gods geboden mocht men heil verwachten. Daarom dienen predikanten als profeten als publieke wachters die de normen van Gods Woord aan de samenleving voorhouden. 

Overzicht geschriften

Dan volgt nu de lijst van de meest relevante geschriften van Bullinger over het Verbond. Zijn eerste pennenvrucht daarover kreeg de titel De Scripturae negotio, dat hij op 30 november 1523 (op de leeftijd van 19 jaar !) schreef. Daarna kwam het thema aan de orde in een brief uit het najaar van 1525 die als onderwerp had Von dem Touff, geadresseerd aan een inwoner van Bern. Diepgaander is  Bullingers werk (in 4 ‘boeken’) Von dem unverschämpten frävel, ergerlichem verwyrren, unnd unwarhafftem leeren der selbsgesannten Widertöuffern, 1531. Het belangrijkste werk over Verbond en Doop van Bullinger verscheen in 1534 en kreeg de Latijnse titel De Testamento seu Foedere Dei unico et aeterno, in het Zwitsers-DuitsVon dem einigen unnd ewigen Testament oder Pundt Gottes.[12]Het bevat een systematische weergave van zijn inzichten over het Verbond. Van indirect belang is het geschrift Ob man die Töuffer onder ander irrige imm glouben straafen moge, mei 1535(= Gutachten über die Bestrafung der Täufer). Daarnaast is Der alt Gloub (= Het oude geloof) uit 1537 evenzo van indirect belang. Bullingers grote prekenboek Dekaden (Nederlandse vertaling: Huysboeck)1549-1552,geeft tal van goede handvatten om zijn leer van het Verbond nader te leren kennen. Vervolgens nemen we kennis van Bullingers Summa Christenlicher Religionvan 1556 en in diens Catechisisvan 1559. Een historisch standaardwerk is DerWidertöufferen Ursprung, fürgang,Secten, wäsen, fürneme und gemeine irer leer…dat in 1560 verscheen. Tenslotte letten we op de tekst van de belijdenis Das Zweite Helvetische Bekenntnis, in 1561 door Bullinger opgesteld en later door staat en kerk aanvaard, dat in de hoofdstukken 17-20 handelt over diverse aspecten van Verbond en Doop. En in samenhang daarmee spreekt hoofdstuk 21 over het Heilig Avondmaal. 

Al met al voldoende toegangen om kennis te nemen van en inzicht te krijgen in Bullingers leer van het Verbond – en in nauw verband daarmee de Doop.[13]Uit dit geheel trachten we ook in beeld te krijgen hoe Bullinger de politieke orde van Zürich hiermee beïnvloedde. 

Context en inhoud

Van ieder geschrift willen we proberen de directe aanleiding daarvoor in beeld te krijgen. Het is Bullingers steevaste bedoeling om de concrete ontwikkelingen in stad en kerk zo goed mogelijk te beïnvloeden vanuit bijbelse gezichtspunten.[14]Dat blijkt dadelijk al het geval te zijn met het eerste schrijven:

  1. De Scripturae negotiois een korte uiteenzetting over de eenheid van het Oude en Nieuwe testament. Bullinger schreef aan de (nog) rooms-katholieke geestelijke Rudolf Asper te Oberrùti (Aargau) [15]o.m.: “In het kort, ik vind dat het Nieuwe Testament niets anders is dan de interpretatie van het Oude. Behalve dat ik inzag dat het Oude belooft, het Nieuwe onderwijst wat er was uitgebeeld, en dat waar het Oude meer verbergt, het Nieuwe meer openbaart, en dat het Oude te maken heeft met sluiers en afbeeldingen, het Nieuwe meer duidelijkheid biedt, namelijk de werkelijkheid van de dingen.”[16]

De Zürichse reformator Huldrych Zwingli was sinds 1523 verwikkeld in een felle confrontatie met doperse radicalen, met als leiders Konrad Grebel en Felix Mantz.[17] Hij schreef in 1525 een antwoord op het geschrift Von dem christlichen Tauff der Gläubigen(1525), ook wel aangeduid alsTaufbüchlein, van de doperse theoloog Balthasar Hubmaier.[18]Zwingli´s geschriften uit 1525 hebben als titel Von der Taufe, von der Wiedertaufe und von der Kindertaufeen Antwort ϋber Balthasar Hubmaiers Taufbϋchlein, in 1527 publiceerde hijIn catabaptistarum strophas elenchus (kortweg Elenchus), in het Zwitsers-Duits: Wider die Ränke der Wiedertäufer. Zwingli verdedigt de kinderdoop op grond van het Verbond dat God na de zondeval sloot met Adam en via Abraham in Christus de voltooiing vond.  

  • In de herfst van 1525 schreef de 21-jarige Bullinger het traktaat Von dem Tauff, dat eigenlijk niet veel meer is dan een tamelijk uitvoerige brief aan een van zijn correspondenten – in dit geval Heinrich Simler [19]uit Bern; het moet geschreven zijn tussen 5 november en 10 december 1525. Het bleef bewaard tot het gedrukt werd in 1760. Volgens Heinold Fast [20]was dit Bullingers eerste en ook beste geschrift over Verbond en Doop. Wellicht circuleerde het in kleine kring. Bullinger toont zich hierin een uitstekende leerling van Zwingli die korte tijd daarvoor enkele anti-doperse geschriften had uitgegeven. Bullinger noemt Simler zijn ‘besonderen lieben und güten fründ’. In 1525 had Bullinger vanuit zijn woon- en standplaats Kappel de drie in Zürich gehouden godsdienstgesprekken met de dopers bezocht (januari, maart, november). Hij heeft er niet het woord gevoerd. Het is niet onmogelijk dat hij Simler daar heeft ontmoet. Bullinger had zich terdege verdiept in de materie, zodat hij als een gewaardeerd medestander van Zwingli gold. Nu gaf hij de in Bern wonende Simler te kennen welke visie onder gereformeerden in Zürich gangbaar was. In Bern was het anabaptisme ook aan het licht gekomen, en de zuigkracht van deze sekte moest men niet onderschatten. Wellicht kon het schrijven van Bullinger helpen om zich ver te houden van deze beweging. Peter Simler, een broer van Heinrich, koos voor de Reformatie; hij stond als abt in Kappel in nauwe betrekking tot Bullinger.[21]

Uit de inhoud noteren we het volgende: 

  1. Bullinger gaat uit van het eeuwig Verbond zoals God dat in het Oude Testament heeft ingesteld en komt dan uit bij de tekenen van het Verbond (in onderscheid van Zwingli die in zijn denken begint bij de tekenen en uitkomt bij het Verbond).
  2. Bullingers theologische gedachten worden in sterke mate beheerst door de eenheid van het Oude en Nieuwe Verbond, waarmee de kinderdoop haar vaste plaats heeft.
  3. Ten aanzien van hen die het teken van het Verbond ontvangen stelt Bullinger (evenals Zwingli) dat God niet eist dat de ontvanger van de besnijdenis) eerst moet voldoen aan eisen van geloof en gehoorzaamheid, maar dat het teken uitsluitend een geschenk is van God die Zijn genade openbaart.
  4. Het teken van het Verbond betekent wel dat de ontvangers een ‘verplichting’ hebben ten opzichte van hun Gever – al zullen ze dat pas op latere leeftijd inzien.
  5. Door het lijden en sterven van Jezus Christus is de besnijdenis terzijde gesteld: nu is het ware bloed van het Verbond vergoten; de besnijdenis was ‘ein figur’ (een symbool) voor het toekomstige bloed van Christus. Nu dit realiteit is geworden,, zijn de schaduwen voorbij.[22]
  • De jaren omstreeks 1530 laten in heel West-Europa een krachtige opleving zien van het anabaptisme. Deze zeer gevarieerde beweging werd soms eerst getolereerd, maar later veelal verboden. De leiders werden verbannen of zelfs ter dood gebracht. Bullinger gaat in 1531 te werk en concipieert een dialoog tussen Symon, een wederdoper, en Jojada, een aanhanger van de Reformatie.[23]De laatstgenoemde probeert voortdurend zijn gesprekspartner te voertuigen van de waarheid van het gereformeerde geloof – en dat lukt hem meer dan eens. Het verslag van de vier gesprekken is de inhoud van zijn geschrift: Von dem unverschämpten frävel, ergerlichem verwyrren, unnd unwarhafftem leeren der selbsgesannten Widertöuffern, Zürich1531. In 1535 verscheen er een Latijnse editie van (met hulp van Bullingers collega Leo Jud); het kreeg de titel Adversus omnia catabaptistarum prava dogmataen telde bijna 400 pagina’s. Later verschenen er nog twee Engelse vertalingen.[24]

Dat Bullinger het onderwerp niet beperkt tot de centrale thema’s van Doop en Verbond blijkt uit het overzicht van de 17 dogmatische en ethische onderwerpen die aan de orde komen in de gesprekken. Daarvan noemen we: de verhouding Geest en Schrift, de plaats van de wet in oud en nieuw Verbond, de eenheid van de kerk, de leer van de zielenslaap, de goederengemeenschap, de christen in een overheidsambt, het afsterven van de vreugden van de wereld, belasting betalen  en over oorlog en doodstraf.[25]

  • Het vierde geschrift van Bullinger over Verbond en Doop verscheen in 1534 en kreeg als titel De Testamento seu Foedere Dei unico et aeterno. Korte tijd later verscheen een Zwitsers-Duitse editie. Het is een bondige uiteenzetting die als het ware uitgelokt was door de uit Silezië afkomstige religieuze leider Caspar von Schwenckfeld (1489-1561).[26]Deze reisde rond in Zuid-Duitsland en was intussen, mede op aandrang van Martin Bucer, uit Straatsburg verdreven. Als spiritualist beweerde hij dat de ware christen voor zichzelf leeft, dat er geen christelijke ordening van de samenleving nodig was, dat het Oude Testament geen echte autoriteit bezat en dat de kinderdoop moest worden afgewezen. Bullingers collega Leo Jud correspondeerde intensief met Schwenckfeld over deze thema’s en zo was Jud door meerdere ideeën van de Sileziër behoorlijk beïnvloed m.n. over het Avondmaal en de verhouding staat en kerk.[27]Bullinger vreesde nu dat de kerk van Zürich wel eens kon scheuren. In onderling beraad in Konstanz drongen de reformatorische leiders Ambrosius Blarer en Martin Bucer werd er bij Bullinger op aan een heldere uiteenzetting te publiceren.[28]Zo ging Bullinger aan het werk voor De Testamento, een directe reactie op Schwenckfelds geschrift Unterschied des Alten und Neuen Testaments / der Figur und der Warheit (1531). [29]Dit werk van Bullinger heeft Jud er uiteindelijk van weerhouden nog langer met de opvattingen van Schwenckfeld te sympathiseren. 

Op het titelblad van Bullingers geschrift staat de tekst uit Mattheüs 17: 5: 

Jezus

Hij is Mijn Zoon, de geliefde, 

in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!

Daarmee geeft Bullinger bij voorbaat te kennen dat hij Jezus ziet als het einddoel van het Verbond, bij Wie als het ware alle lijnen van het Verbond samenkomen. Christus vervult als onze Verlosser het Verbond. 

Wat de inhoud van het geschrift betreft pakt Bullinger zijn werk opnieuw breed aan, maar biedt hij tevens een verdieping van zijn visie op het Verbond. Daardoor heeft het werk een evenwichtig karakter en biedt het hen die met doperse leiders spreken een goed houvast dat voluit bijbels is. 

De tekst heeft Bullinger verdeeld in drie delen: 

  1. Eerst geeft de auteur een nadere bepaling van de door hem gehanteerde termen ‘Verbond’ en ‘Testament’, die geven aan dat er twee partijen bij betrokken zijn. Geen gelijkwaardige, want het is God die het geheimenis is van Zijn gemeenschap met mensen. Er wordt hierover dan ook op menselijke wijze gesproken. God past zich a.h.w. bij menselijke begrippen aan. 
  2. Vervolgens gaat Bullinger in op de belangrijkste aspecten van het Verbond; het belangrijkste van Gods Verbond is dat de Almachtige zich heeft verbonden aan Abraham (Genesis 15) en hem de deelnemers, de voorwaarden, de tijdsduur en de vorm bekend maakt. Hierin wordt de rechtvaardiging door het geloof mogelijk. 
  3. Bullinger hij besluit met een betoog over de ouderdom van het ware christelijke geloof. Dat werkt hij later uit in zijn geschrift Der alt Gloub(1537). 
  • Het geschrift Gutachten über die Bestrafung der Täufer (mei 1535) is een uitspraak van de geestelijke leiders van Zürich, bedoeld als een verdediging van het overheidsbeleid inzake de bestraffing van de oproerige wederdopers, zoals dat in dat jaar o.m. in Munster plaats vond. Het epistel was gericht aan de stadsraad van Z:urich. Bullinger behandelt de vraag of het de overheid is toegestaan om ketters vanwege hun geloof te straffen. Ook spreekt hij zich uit over de strafmaat die tegen ketters algemeen wordt toegepast.[30]
  • De Dekaden, ofwel het Huysboec, is een grote bundel met 50 eerst in het Latijn (!) gestelde preken die veel weg hebben van een behandeling van de catechismus. Het werk werd vanaf de eerste editie (1549-1552) al populair, en helemaal nadat er diverse vertalingen tot stand kwamen. Tientallen malen werd het werk herdrukt. Zo ging de Nederlandse editie mee op de VOC-schepen die naar Oost-Indië voeren. Daarmee werd men ook onderwezen in de thema’s Verbond en Doop die als het ware door alle preken zijn heen geweven.  

In zijn studie over de Dekaden heeft de Zwitserse theoloog Peter Opitz er ruime aandacht aan geschonken. Hij plaatst de thema’s niet in het kader van de bestrijding van de anabaptisten, maar geeft ze een thetische behandeling. Opitz ‘vertaalt’ de benamingen Verbond en Testament meer dan eens met ‘Gemeinschaft’. Zo spreekt hij van ‘Gemeinschaft mit Gott als Leben im Bund’ en ook van ‘Gemeinschaft mit Gott als Leben mit dem Gesetz’. Hij sluit zijn boek af met een hoofdstuk over ‘Gemeinschaft mit Gott als Gemeinschaft der Heiligen’. [31]Ook hier blijkt dat Bullinger het Verbond Gods niet alleen maar ziet als een persoonlijke band met God, maar als een fundament onder het hele christelijke leven. 

  • De Summa christenlicher Religionvan 1556 is bedoeld als bronnen- en handboek voor de gereformeerde religie. Een soort kleine dogmatiek. Op bijna 200 foliovellen beschreef Bullinger de geloofsleer van zijn kerk. Hij verdeelde de stof in 10 artikelen die elk weer onderverdeeld werden in hoofdstukken (variërend in aantal van 20 tot 5). Er is geen artikel bij over het Verbond. Wel is er een hoofdstuk aan gewijd (art. 2, h. 8). Dit lijkt te bevestigen dat het thema Verbond bij Bullinger niet dominant is geweest – behalve in momenten van strijd tegen dissidenten. Toch is het ook hier een goede zaak te letten op de plaats en dus op het verband met het geheel. Het tweede artikel behoort tot de meest fundamentele van dit handboek; waar artikel 1 handelt over de Heilige Schrift tin het Oude en Nieuwe Testament (dus de basis van het christelijk geloof), gaat artikel 2 over  ‘God en Zijn heerlijke werken en over de legitieme, juiste dienst zoals God dat wil’. Tot die ‘heerlijke werken’ behoort het Verbond dat God met mensen sluit. De ordening van de bronnen is dusdanig dat het Verbond een prominente plaats krijgt in het geloof aan God. Ook in de daarop volgende artikelen en hoofdstukken blijkt hoe wezenlijk het Verbond is (in de Godsleer, de leer van de rechtvaardiging, de genade, het geloof, het gebed, de sacramenten, de goede werken van de gelovigen en de eeuwige zaligheid. Al geeft Bullinger niet bij elk artikel en bij elk hoofdstuk expliciet aan dat het Verbond van zo grote betekenis is, impliciet is het Verbond steeds aanwezig. 
  • Bullinger klimt nog eens in de pen tegen de Wederdopers. De concrete aanleiding was het verzoek van vrienden, onder wie drukker Christoph Froschauer, een nieuw boek te schrijven tegen de anabaptisten. Tot in het voorjaar van 1559 waren het vooral Noord-Duitse collega’s en vrienden die erop aandrongen ‘de pest van het anabaptisme’ met een keur van argumenten nog eens te bestrijden. Men zal vooral moeten denken aan veel reformatorische voorgangers in Oost-Friesland en Sleeswijk-Holstein, waar de overheden een tamelijk tolerant beleid voerden. Uitgever Froschauer kreeg van Bullinger al bij voorbaat een lijst van 99 invloedrijke personen aan wie het nog te drukken boek moest worden toegezonden. De meest prominente personen op de lijst waren koningin Elisabeth van Engeland, landgraaf Philips van Hessen, hertog Christoph van Württemberg en keurvorst Frederik III van de Palts.[32]

Bullinger ging aan de slag en voltooide het werk binnen een half jaar. Hij besefte terdege dat de doperse beweging nog altijd zeer actief was. Na de kruitdampen van de doperse radicalen in de jaren ’30 bleef het anabaptisme voortbestaan in allerlei schakeringen. Een deel koos voor het gedachtegoed van de in 1556 overleden David Joris, anderen bleven Schwenckfeld vereren, maar de hoofdstroom volgde Menno Simons. Echter, diens overlijden in 1561 betekende opnieuw onzekerheid en toenemende verdeeldheid onder de dopers. Globaal genomen stonden de gematigde tegenover de strenge  dopers. Wat opviel waren  de voortdurende pogingen om gelovigen over te halen tot hun beweging. Dat was dan ook de reden waarom reformatorische auteurs de ganzenveer pakten om de doperse leer te bestrijden; zo deden o.m. Guido de Brès en Marnix van Sint Aldegonde. In Zwitserland was deze problematiek voor Bullinger van zo groot belang dat hij er een complete historische studie (van zes ‘boeken’) aan wijdde en die publiceerde onder de titel Der Widertöufferen Ursprung, 1560; het werk telt ruim 460 bladzijden. Het mag beschouwd worden als een Fundgrube voor de historie van al die bewegingen die  men met de verzamelnaam ‘dopers radicalisme’ kan aanduiden.[33]Het is overigens een onderzoek waard om na te gaan in hoeverre auteurs als De Brès en Marnix door het werk van Bullinger zijn beïnvloed. Het boek werd een bestseller, in heel Europa werd het bestudeerd.[34]

Rooms-katholieke ketterjagers/inquisiteurs maakten er zelfs gebruik van bij hun bestrijding van de anabaptisten.[35]

Wat Bullinger in zijn studie wil aantonen geeft hij aan in een uitvoerige inleiding. We vermelden daaruit de volgende  hoofdpunten: 

  1. De dopers zijn niet geworteld in het evangelie, zij hebben een onjuist Schriftprincipe, en daardoor onjuiste opvattingen over veel geloofsthema’s zoals de christologie, de kerk en ook over Verbond en Doop. 
  2. Vanaf het begin van de kerkgeschiedenis ontstonden er naast de leer van het evangelie diverse sekten; dit historisch gegeven laat iets zien van Bullingers grote kennis van de geschriften van veel kerkvaders. 
  3. De evangelische (reformatorische) kerken zijn onderling niet overal dezelfde mening toegedaan, wat overigens ook al binnen de vroege katholieke kerk het geval was. De ideale kerk, zoals de dopers die zien, bestaat niet. Bullinger meent te kunnen stellen dat de oorsprong van de doperse beweging in Saksen lag, in de jaren kort na 1520. Hij denkt aan leiders als Andreas Karlstadt en Thomas Münzer. Later dook de beweging op in Zürich, omstreeks 1525 waar mannen als Grebel en Mantz de leiding aan gaven. 
  4. De doperse afzondering van de wereld mag men niet dulden; hier ligt een taak voor de overheden.[36]Maar ook de visie op de overheid is niet in overstemming met Gods Woord. 

Het geschrift Der Widertöfferen ursprungis, goed beschouwd, een royale bewerking van Bullingers eerdere werk Von dem unverschämpten frävel…uit 1531. 

  • Voor de gewone man (‘gemeinen Mann’) waren veel van Bullingers geschriften niet geschikt; maar van de Catechesis [37]kan men dat niet gemakkelijk beweren – al zijn sommige antwoorden wel erg uitgebreid. Het werk is bedoeld om de ‘fürnembsten Haubtpuncten Christlicher Religion’ grondig te verhelderen. Al in het derde hoofdstuk behandelt Bullinger ‘het Verbond dat God met de mensen heeft gesloten’ en daarmee samenhangend ‘de ware godsdienst’.Via tien vragen en antwoorden worden de belangrijkste aspecten uiteengezet. Er wordt eerst gevraagd ‘Waarmee heeft God voornamelijk Zijn vaderlijke wil tegenover de mensen getoond?’ Het antwoord luidt: ‘Met de belofte die Hij zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit natuurlijke en loutere goedheid en genade ons de hoogste goederen en het eeuwige leven belooft.’ Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geestelijke en lichamelijke zaken, wat Bullinger laat zien aan de hand van de Bijbelteksten in Genesis 3:15, Genesis 12:3; Jeremia 31:34. 

Ook wordt onderscheid gemaakt tussen Gods beloften en Zijn eisen; onder dat laatste valt ook de vraag hoe de mens heeft te leven. Het antwoord daarop is ‘Ons ambt is dat wij deze God recht en alleen vereren en alle andere goden daarbuiten houden, omdat alleen Hij alle mensen in al hun noden genoegzaam helpen kan’. Het spreken van ‘ons ambt’ duidt zowel op persoonlijke als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.[38]

  1. De door Bullinger opgestelde geloofsbelijdenis die door de het kanton Zürich en de Zwitserse Gereformeerde Kerken in 1566 aanvaard werd kreeg de naamConfessio Helvetica Posterior (Das Zweite Helvetische Bekenntnis).[39]Daarin wordt niet alleen stelling genomen tegen de Rooms-katholieke kerk, maar ook tegen de wederdopers. Dat laatste met name in de hoofdstukken 18, 20 en 30. Bullinger stelde dat de ene doop het beginteken was van het volk van God. Het geeft aan dat de gedoopte in het Verbond is opgenomen, in de gemeenschap van al Gods kinderen. 

Tevens geeft Bullinger duidelijk aan – dit tegenover wederdopers en roomsen – hoe de kerk ambtelijk dient te worden ingericht naar analogie van de kerk der apostelen. 

  1. Een afzonderlijke vermelding, maar goed passend in de sfeer van het verbond, krijgt Bullingers werk Der christliche Ehestand, 1540. Tegenover ‘de valse leer van Rome’, die het huwelijk onderwaardeert, stelt Bullinger dat het h8uwelijk een goede instelling van God is. Het wezen is niet door de zondeval aangetast. Het huwelijk is een beeld van de verbondsrelatie tussen Christus en zijn gemeente. Bij het huwelijk beloven de partners trouw aan elkaar, naar hart en lichaam en bezit. Dit gebeurt naar analogie van het Verbond van God met mensen. Belofte en eis horen onlosmakelijk bij elkaar. Daarom zal de kerk met de overheid er op toezien dat er getrouwd wordt in overeenstemming met Gods wil en geleefd wordt tot Gods eer – dat is de taak van het Ehegericht.[40]

Samenvatting

We geven nu voor een samenvatting van zijn denken over het Verbond het woord aan Bullinger zelf. Hij heeft in zijn Summa christenlicher Religion, Artikel 2, § 8, een prima vertolking aangereikt over Gods Verbond onder de titel: Gott hat das menschliches Geschlecht mit sich verbunden zum Heil und zum stetigen Dienst.Daarop volgen deze woorden: 

“Indem Gott den Menschen vom ewigen Tod aus den Banden und der Dienstbarkeit des Teufels rettet und erlöst, zieht er den Menschen zu sich und verbündet ihn mit sich. So soll der Mensch fürderhin sein ganzes Leben lang auf Gott sehen, ihm vertrauen, seinen Willen erfüllen, ihn ehren und ihm dienen, und sich des Teufels und seines ganzen Reichs entledigen; und er soll. Wenn er hie und da fehlt und fällt, nicht an Gottes Wohlwollen verzweifeln, sondern wiederum auf das Gute und auf die Gnade hoffen, aufstehen, sich bessern und sich an Gott halten. 

Wie die Heilige Schrift überall bezeugt, geschieht das, indem Gott ein Bündnis mit dem menschlichen Geschlecht aufgerichtet hat. Diesen Bund hat er mit Adam begonnen, mit Noah weitergeführt, mit Abraham deutlich gemacht, durch Mose erneuert und schriftlich gemacht, und durch Jesus Christus zu Ende geführt. Folgendes sind die Artikel dieses Bundes oder Testaments: Gott will unser Gott sein und uns alles zur Genüge geben; ja, durch Christus, seinen Sohn, will er uns in Ordnung bringen und uns alle himmlischen Werte schenken. – Das ist es, was er uns tun will; es folgt jetzt, was er von uns haben wolle. Für all das sollen wir uns an Gott alleein halten, keinen anderen Gott neben ihn haben, ihm allein vertrauen, ihn anbeten, anrufen und verehren, ihm Treu und Glauben halten und unser ganzes Leben lang in seinen Geboren wandeln. 

Das alles lässt er uns durch Seine Diener im Wort verkünden. Er lässt es als einen urkundlichen Brief in die heiligen Bücher verfassen; auf diese sollen wir vertrauen. Als Siegel der Wahrheit hängt er die heilige Sakramente an diesen Vermächtnis- und Bundesbrief; diese sollen wir bibelgemäss brauchen. 

Diejenigen, die das tun, sind richtige Diener und Bundesgenossen Gottes und haben die legitime richtige Religion. `Religio` ist ein lateinisches Wort und heisst `Verbindung´. Durch Gottes Huld, d.h. tiefes Vertrauen in beschriebener Weise werden wir Gott vereinigt, verbunden. Darum ist das rechte Bϋndniss Gottes und die wahre Religion Gottes ein und dasselbe; und diejenigen sind die wirklich Religiösen, die, mit Gott verbϋndet, sich aller anderen Dinge enthalten und sich einzig an Gott und an sein Wort halten.”

Voorlopige balans

We constateren vanuit de hierboven vermelde geschriften dat Bullingers verbondsleer een voluit theologische aangelegenheid was, met soms een praktisch-pastoraal accent. Zijn uiteenzettingen vertonen in de eerste plaats een thetisch-positiefaspect en bevatten heldere lijnen die bijzonder waardevol zijn voor theologie en kerk; ze vormden niets minder dan een her-ontdekking van een eeuwenoud geloofsthema dat een basale betekenis heeft voor geloof en leven. In de tweede plaats stelt Bullinger zich antithetisch-kritischop en hebben zijn gedachten over het Verbond grote waarde tegenover de Rooms-katholieke kerk met haar ‘routine-godsdienst’ en vooral tegenover de doperse radicalen die het Verbond beperken tot volwassen gelovigen. Maar ook dan blijft het geheel een theologisch-leerstellig karakter dragen. Hij heeft daarmee het fundament gelegd voor een manier van leven voor Gods aangezicht die gestempeld wordt door de beloften en eisen van Gods Verbond. Met dat samenleven heeft Bullinger het ‘corpus christianum’ op het oog, waarin het leven geordend is (c.q. dient te zijn) naar de Wet van God. Doordat de politieke orde gunstig was voor de gereformeerden konden dezen de wetten en regels van de samenleving grotendeels alleen bepalen. Van de niet-gereformeerde bevolkingsgroep kon men verwachten dat die zich neerlegde bij de nieuwe orde – en daar zullen de uiteenzettingen van Bullinger ook voor bedoeld zijn geweest –, maar hun burgerrechten was niet omschreven, daar was het historisch nog te vroeg voor. Hun invloed was dus miniem en kon alleen met militaire operaties veranderen. 

Politieke acties van Bullinger

Vanaf het begin van zijn aantreden heeft Bullinger zich in woord en geschrift uitgelaten over diverse zaken die de politieke orde van Zürich betroffen. Hij doet dat namens de predikanten in zijn functie als ‘Berater’ van de stedelijke autoriteiten. Zijn adviezen, waarvan er een representatief deel nog onlangs is gepubliceerd, beslaan het complete domein van de burgerlijke overheid.[41]We maken melding van de volgende gebieden waarop Bullinger invloed uitoefende.

  1. ONDERWIJS. 

Bullinger verzet zich op 17 februari 1532 tegen de plannen van de Grote Raad om het klooster van de Grossmünster – nog steeds een autonome instelling – in handen van de overheid te brengen. Dit instituut betekende veel voor het christelijk schoolonderwijs, juist ook ten dienste van de Reformatie. Zo was het ook vastgesteld in 1523 toen het klooster in dienst van de kerkelijke gemeente werd gesteld.  En als daar nu afbreuk aan gedaan zou worden, was dat woordbreuk. Waar het Bullinger om te doen was, gaf hij als volgt aan: “Behütet es daher für die Kirche und eure Nachkommen zur Erhalting der Wahrheit!” Enkele jaren later zet Bullinger zich in voor het behoud van een school in Rüti en andere plaatsen. En in 1566 schrijft bij voor de Fraumünster een schoolorde. 

  • TURKENOORLOG.

Samen met zijn collega Leo Jud keert Bullinger zich op 17 juli 1532 tegen deelname aan de keizerlijke militaire veldtocht tegen de Turken. De reformatorische leiders hadden groot wantrouwen tegen Karel V: zijn doel was op het eerste gezicht heel begrijpelijk, maar de bijbedoelingen konden wel eens meer omhelzen dan nu duidelijk was, namelijk versterking van de Habsburgse macht, o.a. door Karels broer aartshertog Ferdinand in Hongarije koning te maken. Bovendien was het niet zonder gevaar dat Zürichse soldaten zich weer bezondigden aan het Reislaufen (het dienen in legers van buitenlandse machten – zoals dat tot het begin van de Reformatie voorkwam), en daardoor onder een vlag dienden die de hunne niet was. 

  • REFORMATORISCH BONDNOOTSCHAP.

De zaak van het behoud en de voortgang van de Reformatie was sinds de nederlaag bij Kappel 1531 een zaak van grote zorg in Zürich. Eigenlijk was Zwitserland als Eedgenootschap uit elkaar gevallen. Al in 1532 laat Bullinger zijn stem horen ten gunste van afzonderlijk reformatorisch bondgenootschap. Hij wilde een tweede Kappel voorkomen. Met een eigen bond kon stond men sterker tegenover de moeilijkheden van reformatorische christenen in gebieden waar de rooms-katholieken de macht bezaten. Het goed ogende plan ging echter niet door: velen waren er beducht voor dat de rooms-katholieken in Zwitserland hun steun zochten bij sterkere machten die een veel grotere bedreiging vormden voor de Reformatie. 

  • ECONOMIE EN FINANCIËN.

Namens de Zürichse predikanten stelde Bullinger in 1534 een ‘Gutachten’ op over de nieuwe belastingwetgeving (‘Zinsordnung’). Hij kwam de overheid te hulp, daar deze met vraag worstelde hoe hij bijbelse regels kon toepassen in de eigen samenleving. De grote armoede bestrijden werd onvoldoende gedaan door de burgers, nu moest de overheid wel belasting heffen op leningen, kopen en verkopen. Het percentage mocht niet hoger liggen dan 5. Omstreden was het punt van de ’belastingen in natura’; de raad liet deze vorm van belasting toe, maar de predikanten waren hier tegen. Dat deze maatregel in 1545 werd opgeheven – er kwam weer een verbod op ‘belasting in natura’ – toont aan dat Bullinger c.s. een goed zicht hadden op de zich vernieuwende waarden van de dagelijkse belastingpraktijk.

  • RECHTEN EN VRIJHEDEN VAN DE KERK.

In de zaak van het recht tot benoeming van predikanten legden Bullinger en Jud een ‘Gutachten’ voor aan de Grote Raad waarbij het hun te doen was de rechten van de kerk te beschermen tegen ingrepen van de overheid. Het speelde zich af in 1538. Hierin toonden de indieners zich zeer strijdbaar. In 1549 was de kwestie van de vrijheid van de prediking weer aan de orde en daarin diende Bullinger de Kleine Raad met een dringend advies tot behoud van de 1531 reeds toegezegde vrijheid voor het evangelie. In 1553 deed zich een incident voor met betrekking tot de weigering om een uit het reformatorische Engeland ( ten tijde van Eduard VI) afkomstige belijdenis te laten drukken. Bullinger wenst wel boekencensuur, maar niet om reformatorische werken tegen te houden. 

  • BUITENLANDSE POLITIEK.

In 1549 ontwikkelde de nieuwe Franse koning Hendrik II plannen voor een militaire alliantie tussen Frankrijk en de Zwitserse Eedgenootschap. De meeste kantons voelden er wel voor, vermoedelijk vanuit een anti-Habsburgs sentiment, maar Zürich (en ook Bern) keerden zich tegen de alliantie. Dat gebeurde nadat Bullinger had uiteengezet dat het verboden was ‘een vervolger van het ware christendom te helpen in een oorlog’. Door middel van een soort volksraadpleging  werd duidelijk dat de (meerderheid er mee instemde. 

  • DE EED.

Door Bullingers invloed werd vanaf 1551 het zweren van de eed ´bij de heiligen´ verboden. Deze vanouds bekende rechtsvorm was al sinds de invoering van de Reformatie omstreden, maar men had het niet verboden, wellicht mede omdat de andere kantons er best mee konden leven. Toch werd de latent aanwezige spanning steeds meer voelbaar en zo besloot Zùrich – op aandringen van Bullinger en zijn medepredikanten – de andere kantons mededeling te doen van het afschaffen van genoemde eed. Daarmee was de eenheid in Zwitserland op dit punt verbroken.  Dit heft geduurd tot 1798. 

  • ARMENZORG.

Met medewerking van vijf collega-predikanten hield Bullinger voor de (Kleine?) Raad van Zürich op 23 maart 1558 een voordracht over de armenzorg. Hij had dat al eens eerder gedaan, nl. op 7 maart 1551, waarbij hij zich met bijbelse woorden verdedigde tegen inmenging in overheidszaken. Armenzorg was een taak van de hele christenheid. Tevens had hij toen nog eens herinnerd aan de toezegging uit het begin van de Reformatie dat de kerkelijke goederen zouden worden besteed aan de armenzorg. De Raad besloot in 1551 de bedelarij voor inwoners nog eens te verbieden en ook het spelen om geld. Desondanks waren deze problemen in Zürich niet opgelost, eerder toegenomen. Om de overheid opnieuw op te roepen tot consequent handelen lieten de predikers van Zürich zich in het voorjaar van 1558 weer horen. IN de herfst liet de Raad weten dat zij die werkelijk behoeftig waren zouden worden geholpen en dat de niet-autochtone bedelaars de stad werden uitgezet. Helaas braken er in de jaren ’60 economisch moeilijke tijden aan, zodat de kerk zich in 172 opnieuw genoodzaakt zag de overheid te attenderen op een goede aanpak van de armenzorg.

  • WOEKER.

In tijden van economische achteruitgang doen zich op financieel gebied vaak extremen voor die de samenleving nog verver kunnen scheeftrekken. Een voorbeeld daarvan is het hanteren van woekerprijzen en het nemen van woekerrente. Op 14 februari 1568 drongen Bullinger en zijn collega’s er bij de Raad op aan stevige strafmaatregelen te nemen tegen hen deze praktijken erop na hielden; ze veroorzaakten ellende en een uiteenvallen van de onderlinge solidariteit. 

  1. VLUCHTELINENHULP.

Vanaf het begin van de jaren ’60 woedde er Frankrijk een burgerstrijd die als godsdienstoorlog de naam Hugenotenoorlogen kreeg. De leiders van de rooms-katholieke partijen waren niet genegen de gereformeerde Hugenoten godsdienstvrijheid toe te kennen. Hun politieke invloed in dorpen en steden was zeer beperkt. Nationaal echter gaven adellijke leiders als Condé en De Coligny leiding aan hun achterban en trachtten door invloed op het koningshuis de positie van de Hugenoten te versterken. De militaire strijd ging op en neer; een tolerantie-edict werd gesloten, vervolgens bestreden, daarna ontbonden en soms weer vernieuwd. Koning Karel IX kon (of wilde) geen garanties geven voor de veiligheid van zijn gereformeerde onderdanen. Daarom trokken velen van hen naar Zwitserland en verzochten asiel in Genève (en andere Franssprekende plaatsen).Bullinger vernam dat de Raad van Zürich een verzoek om financiële hulp uit Genève had ontvangen en wilde graag dat de stad een stevig bedrag ter beschikking stelde. Het was een vorm van naastenliefde die na Zürich navolging vond in Basel en St. Gallen. Ook particulieren stelden geld ter beschikking voor hulp aan geloofsvluchtelingen. 

Bullingersafscheidsbriefvan 2 augustus 1575 aan de overheden van Zürich bevat een dringend appel op de autoriteiten om in hun machtsdomein de Reformatie te blijven beschermen. Hij doet dat in zeven aandachtspunten die we hier in ’t kort weergeven. 

1. Bullinger bedankt de overheden voor al het goede dat hem ten deel is gevallen en hoopt dat God het hun mag vergleden en zegenen. 

2. Bullinger stelt vervolgens dat hij niets anders heeft gewild dan Christus te dienen ‘in der ganzen christlichen Gemeinde’. Dat gebeurde door het verkondigen van ‘die wahre, rechte, christliche Lehre’ zoals die in het Oude ene Nieuwe Testament is overgeleverd. Dit dient te gebeuren onder verwerping van de pauselijke leer. 

3. Bullinger waarschuwt tegen de leerstellingen van het Concilie van Trente, die niet anders tot doel hebben de ware leer te onderdrukken. 

4. Bullinger wenst dat de Raad als nieuwe Antistes een man kiest die God-vrezend is en afkerig is van intriges (die geen genade en geluk met zich meebrengen). Als opvolger schuift Bullinger zijn pleegzoon Rudolf Gwalther [42]naar voren, getrouwd met Regula, de dochter van Huldrych Zwingli. 

5. Ten aanzien van de drukpersvrijheid stelt Bullinger dat de overheid een censurerende taak heeft bij het drukken van boeken. Voor dwaalgeesten moet de toegang tot de drukpers worden afgesloten. 

6. Nu komt Bullinger tot de kern van zijn afscheidsbetoog, hij heeft er dan ook veel woorden voor nodig. Hij roept de overheid op om steeds trouw naar de kerk te komen en daar deel te nemen aan het ‘Gemeinschaftsgebet’. En ook: leer vanuit het Woord van God te streven naar recht en gerechtigheid in de samenleving; dat is hetzelfde als Gods heil ontvangen waardoor het heil voor de mensen wordt bevorderd. Daarom is het onderwijs van grote betekenis en dus moet de zorg van de overheid daar vooral naar uit gaan. Maar ook belangrijk is de armen- en ziekenzorg. Richt de samenleving zo in dat de wet van God wordt nageleefd en daarmee de eer van God wordt nagestreefd. 

7. Bullinger wenst de overheidspersonen toe dat ze eensgezind en liefdevol met elkaar omgaan. Dat ze met eer hun ambt bekleden. Als zij onnodige strijd vermijden zal de vrede van God hen regeren en zal men in rust kunnen leven. Zo bidt Bullinger die vrede en rust ook toe aan zijn kinderen en kleinkinderen. Gods genade was tevens de grondslag voor zijn eigen leven en dienst in Zwitserland.  

Eindbalans

Wie het geheel van de verbondsleer van Bullinger overziet, kan niet anders dan concluderen dat hij een theologisch bepaald ontwerp heeft gemaakt, dat in grote lijnen religieus van inhoud is. Het politiek bepaalde aspect komt daarin als expliciet model voor de staat nauwelijks in beeld, of we moeten de opmerkingen over de aanpak door de overheid van de Wederdopers daaronder scharen. Maar impliciet denkt Bullinger heel sterk vanuit het Verbond als ‘Gemeinschaft mit Gott’, wat niet anders mogelijk is dan door Wet en Woord van God als grondslag te nemen. Dat heeft Bullinger in 1531 met instemming aangehoord toen hij aantrad in dienst van Zürich: de overheid belooft zich te willen houden aan de wet van God. De eed die overheden en burgers afleggen voor het aangezicht van God dient men te zien als bekrachtiging van de verbondenheid van de stad met de ware dienst aan God. Daarmee is Heinrich Bullinger – evenals Huldrych Zwingli – een principieel voorstander van een theocratische samenleving. Op gezette tijden kreeg de overheid  nieuwe raadgevingen aangereikt die van invloed waren op de Zürichse samenleving. 

Dat zoiets een verbondskarakter draagt is niet vreemd aan de Zwitserse historie. Men kan dat desgewenst – met de Zuid-Afrikaanse jurist Andries Raath – aanduiden als ‘die samebinding van die verbondsgebaseerde Christelike gemeenschap’.[43]En dan denken we aan het uit de christelijke middeleeuwse traditie stammende begrip ‘corpus christianum’ dat principieel uiting van de eenheid van het christelijk geloof. 

Maar deze realiteit – als ze al ooit bestaan heeft – was in de 16deeeuw hard bezig te verdwijnen. Er ontstond een religieus pluriforme samenleving waarin de overheid christelijke normen en waarden trachtte te handhaven, maar waar een principiële  oplossing voor de religieuze tolerantie alleen bestond in het (uitwendig) aanvaarden van de door bijbelse normen bepaalde wet- en regelgeving. Mara het ontbrak aan officiële richtlijnen of bepalingen die een pluriforme samenleving interne zekerheid konden geven m.b.t. de rechten van minderheden. Het leverde een spanning op die men in veel steden en staten heeft gekend en waar overheden steeds meer een realistische, pragmatische lijn volgde om interne moeilijkheden het hoofd te bieden. De eeuwen daarna laten zien hoe burgerlijke tolerantie vanuit de gedachte van soevereiniteit in eigen kring vorm kreeg in het christelijke Westen.  

Ter afsluiting

Ik volsta hier met enkele korte statements. 

  1. Bullinger heeft op een heldere wijze vanuit de Bijbel  aangegeven hoe het Verbond tussen God en mensen is ontstaan (Adam), hoe God dat heeft vernieuwd (Noach, Abraham) en hoe het in Christus, hétZaad van Abraham, tot volle ontplooiing is gekomen. 
  2. Bullingers opvatting van de eenheid van het Oude en Nieuwe Verbond of Testament is de basis van zijn verbondstheologie. Die eenheid zelf is gefundeerd in de beloften m.b.t. de komst van Christus en in de realisering van die beloften. 
  3. Door evenals Zwingli de eenheid van het Verbond te erkennen is bij Bullinger de overgang van de tekenen van het oude Verbond (nl. van besnijdenis en ceremoniën) naar die van het nieuwe Verbond (doop en avondmaal) een eenvoudige consequentie van de ontwikkeling van Gods Verbond naar de voltooiing en dus geen reden om de kinderdoop te weigeren. 
  4. Bullinger heeft, evenals Zwingli, veel van zijn opvattingen geformuleerd in confrontatie met de anabaptisten. Daarin heeft hij steeds vanuit de eenheid van het Verbond de anabaptisten willen laten inzien hoezeer zij van Gods Woord afweken. 
  5. Van een denklijn naar ‘verbondsautomatisme’ bespeurt men bij Bullinger niets;  hij denkt niet in termen van vanzelfsprekendheden, hij spreekt heel evenwichtig over beloften, eisen en verbondstrouw; daardoor staat hij in zijn spreken over het Verbond dicht bij ‘de gewone man´. 
  6. Bullinger heeft in zijn uitspraken vaak laten zien hoe het Verbond centraal staat in het leven van de christenen en daarmee heel het leven voor Gods aangezicht draagt. Dat geeft ook aan dat er in zijn theologie geen grote spanning voorkomt tussen wet en evangelie; Bullinger laat de wet functioneren in alle tijdperken van Gods Verbond, daarbij rekening houdend met de heilshistorische aard van dat tijdperk. 
  7. Door het Verbond als basis voor het christen-zijn te beschouwen laat Bullinger ook zien hoe dat doorwerkt in andere thema´s van de theologie en kerk-zijn (prediking, pastoraat, predestinatie, zonde en genade, tucht, visie op Bijbel, samenleving en toekomst). 
  8. In zijn bestrijding van de leer en de praktijk van de wederdopers heeft Bullinger Zürich in de eerste plaats gediend, maar vervolgens kregen zijn opvattingen ook grote invloed in andere delen van Europa. 
  9. Het is wenselijk dat tegenstanders van de kinderdoop grondig kennis nemen van de door Bullinger ontwikkelde verbondsleer. Het zal positief kunnen bijdragen aan de door velen  gewenste eenheid onder protestanten.  
  10. De verhouding kerk en staat werd door Bullinger gezien als een partnerschap met Gods Verbond als grondwet. Daarbij bepaalden de twee aspecten van het Verbond – beloften en eisen – de relatie tussen de partners. Daarmee staat hij in de traditie van voorstanders van de theocratie. 
  11. Bullinger was evenals Zwingli een leider die als reformatorisch theoloog de koers van de overheid mede bepaalde. Bullinger heeft een scherp oog voor de soms zwakke positie van de Reformatie in zijn regio; dat leidt tot een anti-roomse en een anti-wederdoperse politiek. 
  12. Bij Bullinger wordt meer dan bij Zwingli iets zichtbaar van de dualiteit van de instituten kerk en staat, wat het begin heeft betekend van de erkenning van elkaars soevereiniteit in eigen kring. In een dergelijk kader is ruimte voor tolerantie. 
  13. Het thema van het Verbond verdient in de kerkelijke en theologische werkelijkheid van nu –  zeker in Nederland –  een herwaardering, juist omdat het basaal van karakter is. Tegelijk is het ook een belangrijk pastoraal thema. 

[1]Emilio Campi, Peter Opitz (Eds.), Heinrich Bullinger. Life – Thought – Influence, Zürich 2007, Vol. I, pp. 573-592, Vol. II, pp. 671-692,  961-976. 

[2]Idem, Vol. II, pp. 853-879.

[3]Zo laat M. van Campen in zijn bijdrage aan de bundel Het verbond van God met mensen(red. Henk Hagoort), Heerenveen 1999, p. 72, Bullinger feitelijk buiten beschouwing. 

[4]; Peter Opitz, Heinrich Bullinger als Theologe. Eine Studie zu den ‘Dekaden’. Zürich 2004, S. 336. 

[5]George M. Elia, ‘Henry Bullinger and the Covenant of Grace’. In: MBS Texte 52, Martin Bucer Seminar, 2. Jahrgang 2005 (via internet te raadplegen). 

[6]Lukas Vischer maakte In zijn bijdrage in 2004 de behartenswaardige opmerking dat de aanduiding ‘covenant’ (zeker vandaag) niet de betekenis dekt van de door Bullinger gehanteerde woorden ‘Testament’ en ‘Pundt’; ‘covenant’ heeft  meer betrekking op zaken als aardse gerechtigheid, vrede en het bewaren van de schepping; ‘…einen Bund mit euch und allen lebenden Wesen’, in: Campi und Opitz, O.c.962.  

[7]Aldus de Noord-Ierse Rev. Angus Stewart in de British Reformed Journal. Geciteerd via de website van de Covenant ProtestantReformed Church (CPRC), onder de titel ‘Heinrich Bullinger, the First Covenant Theologian’. 

[8]Zwingliana 40 (2013), S. 1-36. 

[9]Een voorbeeld van de hier bedoelde eenzijdigheid is de in de kerkelijke strijd van 1942-1944 door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland gedane uitspraak over Verbond en Doop, welke leidde tot de Vrijmaking van 1944. Opmerkelijk is in dit verband dat de voorman van de Vrijmaking, prof. dr. Klaas Schilder (1890-1952), weinig specifieke aandacht heeft geschonken aan de door Bullinger ontwikkelde leer over het Verbond. Zie o.m. K. Schilder, Het Verbond in de Gereformeerde Symbolen.Kampen 1977, p.4. 

[10]  Zier o.m. Martin Haas, Huldrych Zwingli und seine Zeit. 3. Auflage, Zürich 1982, S. 61-74.Vgl. Ulrich Gäbler, Huldrych Zwingli. Eine Einführung in sein Leben end sein Werk. München 1983, S. 16. 

[11]In Nederland verschenen in 2004 en 2005 twee beknopte levensbeschrijvingen over Bullinger, eerst noemen we die van Johannes A. Meijer, De man in de schaduw, Heinrich Bullinger en zijn Tweede Helvetische Confessie. Enschede 2005; vervolgens die van Harm Veldman, Heinrich Bullinger 1504-1575. Gereformeerd pastor voor Europa.Bedum 2004. 

[12]Van dit geschrift verscheen een Nederlandse vertaling van de hand van de predikanten H.A.J. Lütge en G. Oorthuys, Het eenige en eeuwige Testament of Verbond Gods, Den Haag 1923; ook Bullingers  geschrift Het oude geloofwerd in dezelfde band uitgegeven. 

[13]Een en ander betekent niet dat Bullinger zich in zijn andere geschriften niet heeft uitgesproken over dit thema, maar dat deed hij veelal terloops en geheel in overeenstemming met de inhoud van de bovengenoemde werken.

[14]Veel onderzoekers stellen dat de pastorale benadering door Bullinger het hoofdkenmerk is van diens  manier van werken; zo o.m.: Fritz Blanke und Immanuel Leuschner, Heinrich Bullinger. Vater der reformierten Kirche. Zürich 1990.

[15]Deze Rudolf Asper was lange tijd een onbekend persoon, totdat Willy Brändly, medewerker aan het tijdschrift Zwingliana, hem wist te identificeren als ‘Leutpriester’ in Oberrüti (Aargau). Asper bleek een wat oudere rooms-katholiek geestelijke te zijn. In 1523 kreeg de jonge Bullinger van zijn abt Wolfgang Joner in Kappel het verzoek een brief te schrijven aan Asper om het reformatorische Schriftprincipe uiteen te zetten. Dat is bedoeling van Bullingers schrijven De Scripturaenegotiogeweest. Zwingliana, 8/10 (948), S. 601-603. 

[16]Heinrich Bullinger,Werke. Dritte Abteilung: Theologische Schriften – Band 2: Unveröffentichlichte Werke aus der Kappeler Zeit.Zurich 1991, S. 25.

[17]Vgl. Harm Veldman, ‘De confrontatie tussen reformatie en dopers radicalisme (1523-1527)’, in zijn: Huldrych Zwingli, hervormer van kerk en samenleving. Goes 1984, p. 66-99.

[18]Balthasar Hubmaier ( plm. 1480-1528) was als (reformatorisch) predikant te Waldshut op de Paasdag van 1525 overgedoopt door Wilhelm Reublin; daarna volgde bijna de hele gemeente zijn voorbeeld. In de loop van 1525 ging deze prediker naar Zùrich, waar hij onmiddellijk gevangen genomen werd. Zwingli bestreed hem. Na vier maanden werd Hubmaier vrijgelaten nadat hij zijn opvattingen had herroepen. Hij vluchtte naar Moravië waar hij zich weer aansloot bij de wederdopers. Op 10 maart 1528 werd hij in het keizerlijke Wenen op de brandstapel ter dood gebracht.

[19]Heinrich Simler was een burger van de stad Bern; waarschijnlijk is hij aanwezig geweest op een van de drie godsdienstgesprekken te Zürich in 1523. Over deze Simler is weinig bekend; zijn vader was schout van Bern. Heinrich was een broer van Peter Simler, die de vader werd van Josias Simler en deze trouwde later met Elisabeth, dochter van Bullinger. Vgl. Ulrich Gäbler und Endre Zsindely, Heinrich Bullinger Briefwechsel, Band I. Zürich 1973, S. 53f., 195f; Blanke und Leuschner, Heinrich Bullinger, S. 290f.

[20]Heinold Fast, Heinrich Bullinger und die Täufer. Weierhof 1959, S. 19.

[21]Leonhard von Muralt und Martin Haas (Eds.), Quellen zur Geschichte der Täufer in der Schweiz. Vol. 3. Zürich 2008, S. 137f. 

[22]Vgl. W. van ’t Spijker, ‘De leer van de doop bij Zwingli, Bullinger en Bucer’. In: W. van ’t Spijker c.s. (red.), Rondom de doopvont. Kampen 1983, p. 240.

[23]De figuur van Symon is zeer waarschijnlijk gekozen vanwege Simon de Tovenaar Hand. 8) terwijl Jojada de hogepriester is die de jonge koning Joas onder zijn hoede nam en zo de toekomst van het koningshuis in Juda veilig stelde (2 Kron.22 en 23).  

[24]Peter J.A. Nissen, ‘Een Nederlandse vertaling van Heinrich Bullingers vroegste tractaat tegen de Dopers’, in: Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 66 (1986), p. 190199. De Nederlandse vertaling is nooit in druk verschenen, maar in handschrift bewaard, 262 bladen groot; het document bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.

[25]H. Fast. O.c., S. 77f. 

[26]Hierover meer bij: Yasukazu Morita, ‘Bullinger und Schwenckfeld’. In: U. Gäbler, E. Herkenrath (Hg.), Heinrich Bullinger 1504-1575. Band II. Zürich 1975, S. 143-156. Over Schwenckfeld zelf: Paul G. Eberlein, Caspar von Schwenckfeld, der schlesische Reformator und seine Botschaft. Ketzer oder Heilige?Metzingen 1998. 

[27]J. Wayne Baker over Leo Jud in: H.J. Hillerbrand (Ed.), The Oxford Encyclopedia of the Reformation,II, New York/Oxford 1996, p.356. 

[28]Hierover o.m. Detlef Roth in: Heinrich Bullinger Schriften, Band I, Zürich 2004, S. 52. 

[29]Vgl. Klaus Deppermann, ‘Schwenckfeld and Leo Jud on the Advantages and Disadvantages of the State Church’; in: Peter C. Erb (Ed.), Schwenckfeld and Early Schwenckfeldianism.Pennsburg Pa. 1986, p. 211-236. In dezelfde bundel publiceerde Gottfried Seebass over ‘Caspar Schwenckfeld’s Understanding of the Old Testament’, p. 87-101; een Duitstalige versie vindt men in: Gottfried Seebaβ, Die Reformation und ihre Auβenseiter. Göttingen 1997, S. 336-349. 

[30]Zie Urs B. Leu, ‘Gutachten Bullingers und der Pfarrerschaft über die Bestrafung der Täufer (Mai 1535)’, in: ZwinglianaXXX (2003), S. 103-126. 

[31]Peter Opitz, Heinrich Bullinger als Theologe. Eine Studie zu den ‘Dekaden’.Zürich 2004; zie vooral de in de inhoudsopgave aangegeven hoofdstuktitels. 

[32]Fritz Büsser, Heinrich Bullinger. Leben, Werk und Wirkung.Band II, Zürich 2005. S. 157. Men ziet hier Bullinger als ‘Europees strateeg’, met de bedoeling om de Reformatie te beschermen. 

[33]Een heel goed hanteerbare samenvatting van dit werk gaf Van ’t Spijker in Rondom de doopvont, p. 241vv. 

[34]In 1569 vertaalde de gereformeerde predikant Gerardus Nicolai uit het Oost-Friese NordenDer Widertöufferen ursprungin het Nederlands. Hij laste alleen wel een aantal mededelingen in vanuit zijn eigen leefwereld, bijv. over David Joris en Menno Simons die betrekkelijk veel invloed hadden in Oost-Friesland. S.B.J. Zilverberg in Biografisch Lexicon Nederlands Protestantisme, IV, 242. 

[35]Samme Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden. Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden 1531-1675, Hilversum/Leeuwarden 2000, p. 218. Zijlstra noemt daar o.m. de inquisiteur Lindanus (ketterjager in Friesland), die vrij veel plagiaat pleegde met de tekst van Bullinger. 

[36]Vgl. H. Fast, O.c., S. 79. 

[37]Deze Catechismus is op internet te raadplegen via de site: www.solideogloria.ch/Bullinger/catechismus.htm

[38]Opmerkelijk is hier dat de Heidelbergse Catechismus in dezen niet spreekt van ‘ons’, maar van ‘ik’.  Bijv. Zondag 12. 

[39]Hierover meer in de bijdrage van Johannes A. Meijer in de bundel onder redactie van Mees te Velde, Confessies. Gereformeerde geloofsverantwoording in zestiende-eeuws Europa, Heerenveen 2009, p. 503-595 (incl. de tekst van de Tweede Helvetische Confessie in een Nederlandse vertaling). 

[40]Het Ehegericht was in Zürich ingesteld tijdnes de reformatorische vernieuwingen van Zwingli in 1525. Hierover uitgebreid: Kungolt Kilchmann, Die Organisation des zürichen Ehegerichts zur Zeit Zwinglis. Zürich 1946. Over Bullingers Eheschriften schreef Detlef Roth in Zwingliana,XXXI (2004), S. 275-309. 

[41]De originele teksten van Bullingers geschriften aan het adres van de stedelijke overheid zijn te vinden in: Heinrich Bullinger, Schriften zum Tage. Eds. Hans U. Bächtold, Ruth Jörg en Christian Moser. Zug 2006; tegelijk was ervoor gezorgd dat een modern-Zwitsers-Duitse weergave werd uitgegeven in de reeks: Heinrich Bullinger, Schriften, Band 6. Eds. Hans U. Bächtold, Ruth Jörg en Peter Opitz. Zürich 2006. 

[42]Rudolf Gwalther (1519-1586) was een veelzijdig geleerde die als predikant zeer geliefd was bij zijn hoorders. Hij werd in 1575 inderdaad aangesteld als Antitstes. 

[43]Aldus Raath in ‘Heinrich Bullinger, political covenantalism and Vermigli’s commentary on Judges’, in het Zuid-Afrikaanse tijdschrift In die Skriflig39 (2), 2005, pp. 311-324. 

Heinrich Bullinger:

Gods verbond als ‘grondwet’ voor stad en kerk van Zürich

Inleiding

De Zwitserse reformator Heinrich Bullinger (1504-1575) heeft in zijn langdurige loopbaan veel diensten bewezen aan de kerk van Zürich. Hij bood veel handreikingen voor een bijbels verantwoorde vormgeving van kerk en theologie. Daartoe behoren naast de vele preken – vaak ging hij zes keer in de week voor in de Grossmünster – ook zijn geschriften over Verbond en Doop en zijn confrontaties met doperse radicalen. Daarin stonden bij Bullinger de belangen van de kerk zowel als die van de stad hoog in het vaandel. Hij richtte zich meer dan eens tot de overheid om zijn opvattingen over actuele politieke zaken bekend te maken. In die betrokkenheid willen we de vraag onder ogen zien in welke verhouding geloof en politiek bij Bullinger tot elkaar staan, speciaal gerelateerd aan zijn publicaties over het Verbond.

Oriëntatie

Het is altijd ietwat riskant één aspect van alle opvattingen van een groot theoloog te verheffen tot hét meest kenmerkende. Wie vervolgens gaat tellen en wegen kan al gauw tot de ontdekking komen dat van zoiets geen sprake is. Zo waren er op het in 2004 te Zürich gehouden congres in verband met de 500stegeboortedag van Bullinger van de 49 sprekers slechts drie, nl. prof. dr. Willem van ’t Spijker (Apeldoorn), prof. dr. Aurelio Garcia (Porto Rico) en prof. dr. Lukas Vischer (Genève), die het thema van Gods Verbond expliciet behandelden.[1]Daar kan men nog aan toevoegen de bijdrage van de Zuid-Afrikanen Andries Raath en Shaun de Freitas waarin aandacht wordt geschonken aan de theologisch-politieke leer van het federalisme.[2]Cijfermatig samen dus 8 %, maar staat daarmee dit thema niet meer centraal bij Bullinger? Zijn theologie wordt in Nederland (te) weinig gekend, waardoor zijn grote betekenis in de historie van de Reformatie niet goed in beeld komt.[3]

Men kan zonder veel moeite tot de ontdekking komen dat Bullinger vanaf het begin van zijn loopbaan het Verbond Gods gezien heeft als de dragende factor van heel veel van zijn theologisch nadenken. Of hij vanaf het begin ook de polis als burgerlijke samenleving op het oog had valt te betwijfelen. De Zwitserse theoloog Peter Opitz ziet het Verbond bij Bullingerals ‘hermeneutische und theologische Grundkategorie’.[4]De Engelse kerkhistoricus George M. Elia [5]maakte o.i. terecht de opmerking: “For Bullinger, baptism, the Lord’s Supper, predestination, election, reprobation, law and gospel, the forgiveness of sins, justification, sanctification and the perseverance of the saints, are all to be understood in the ‘Covenant’ context of God choosing a people for Himself in Christ and binding them to Him for eternity. This ‘Covenant’ thus centres alone in the work and offices of the Lord Jesus Christ through whom as Head of the ‘Covenant’ all believers have access to every ‘Covenant’ blessing.[6]Dit onderstreept het historische feit dat Heinrich Bullinger in 1500 jaar kerkgeschiedenis de eerste theoloog is geweest die een afzonderlijk boek wijdde aan het onderwerp van het Verbond.[7]Zo blijft het een uitdaging om het thema van het Verbond ‘an sich’ te zien schitteren – en dan steeds in relatie met andere capita uit de theologie. Een recent voorbeeld daarvan vindt men in een overzichtelijk artikel van de Nieuw-Zeelandse theoloog Joe Mock over bijbelse en theologische thema’s in Bullingers boek De Testamento.[8]

Waar men in de 21steeeuw geen behoefte meer heeft aan eenzijdigheden [9]en wellicht meer oog heeft voor de betekenis van de kerk voor de samenleving, willen we bij Bullinger in het bijzonder nagaan welk effect de leer van het Verbond heeft gehad, niet alleen in de kerk, maar vooral ook in de polis Zürich. Het is bij sommige wetenschappers niet ongebruikelijk om Bullingers visie op het Verbond als model te zien voor stad en kerk. Maar hoe duidelijk ligt dat bij deze Zürichse reformator?  

Zürich 

De geschiedenis van Zürich toont vanaf de middeleeuwen een nauwe band met het Duitse rijk. Dat begon dadelijk merkbaar te worden na de verdeling van het Karolingische rijk in het Verdrag van Verdun 843, toen Lodewijk de Duitser het Oost-Frankische deel kreeg toegewezen, waartoe ook Zwitserland behoorde. De bouw van de Fraumünster in Zürich was Lodewijks sympathieke initiatief. Eeuwen later werd de Grossmünster gebouwd. Zürich werd in 1262 een Duitse Reichsstadt, wat een bijna onafhankelijke positie betekende, al bleef ze nog tot 1648 (de Vrede van Westfalen) deel uitmaken van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. 

Het streven naar volledige vrijheid was sterk bepalend voor de geschiedenis van Zwitserland. Zo sloot Zürich zich in 1351 dan ook aan bij het Zwitserse Eedgenootschap, een federatie of verbond van vrije, zelfstandige kantons. Samen verdedigde men zich tegen de machtsaanspraken van de Habsburgers. Maar ook een kanton zelf was een bondgenootschap van de verschillende regio’s. Het federatieve staatsmodel staat de Zwitsers in het lijf geschreven. 

Vanaf zijn aantreden in 1519 kreeg de reformator Huldrych Zwingli grote invloed in Zürich, hij werd aangesteld als Antistes(hoofdpredikant) en tevens als geestelijke raadsman voor de stadsregering.[10]

De inrichting van het bestuur van Zürich was in de 16deeeuw in hoofdlijnen als volgt geregeld. De stad met ruim 5000 inwoners wordt geregeerd door twee raden: de Grote Raadvan 200 (met in werkelijkheid 212 leden), gekozen door de gilden, en de Kleine Raaddie 50 leden telde. Bij de laatste lag de feitelijke macht; terwijl de uitvoering van de raadsbesluiten opgedragen was aan twee uit haar midden  aangewezen burgemeesters. De Kleine Raad had o.m. het recht om geestelijken aan te stellen in een parochie. Dat paste in de oude traditie dat de overheid grote zeggenschap had in kerkelijke zaken. In 1523 lieten de burgemeesters, in samenwerking met de Kleine en Grote Raad in Zürich het eerste openbare godsdienstgesprek houden, waarbij Zwingli en zijn medestanders de overwinning (op de rooms-katholieken) behaalden. Daarmee kreeg de reeds in 1519 begonnen Reformatie van Zürich een wettig karakter. Een later gehouden godsdienstgesprek bevestigde dat, nu ten opzichte van de doperse beweging. Deze situatie bleef zo toen Bullinger zijn dienst begon. Daardoor had het ‘corpus christianum’in Zürich een gereformeerde kleur gekregen. Hoe mooi dat ook lijkt, er blijven vragen hangen. Hoe stond het met de publieke tolerantie ten opzichte van ‘andersgelovenden’? En: werd de onderliggende verbondsgedachte niet erg op de proef gesteld? 

De start van Bullingers publieke optreden 

Nu volgt een kort overzicht van Bullingers loopbaan.[11]Na zijn opleiding in zijn geboorteplaats Bremgarten (kanton Aargau) en in de Duitse Rijnsteden Emmerich en Keulen werd Heinrich Bullinger docent aan de kloosterschool te Kappel, waar hij zijn keuze maakte voor de Reformatie. Hij diende enkele jaren als Pfarrer in Hausen en Bremgarten. In 1531 veranderde er veel. Toen nam de raad van Zürich, op voorstel van Zwingli, het besluit een blokkade op te richten tegen steden en dorpen die de Reformatie dwarsboomden en reformatorisch gezinde inwoners tegenwerkten. Zürich verwachtte dat de uithongering van deze plaatsen ertoe zou leiden dat er concessies gedaan werden ten gunste van de Reformatie. Hoe riskant deze politiek was, bleek spoedig. De rooms-katholieke steden en dorpen verenigden hun krachten en trokken ten oorlog tegen Zürich. Dit leidde tot de Slag bij Kappel, waarbij Zwingli – mee uitgetrokken als veldprediker – om het leven kwam. Dat verlies was al zeer ernstig, maar daar kwam nog bij dat het stadje Bremgarten, de woonplaats van Bullinger, in handen viel van de rooms-katholieke troepen. Hun vredesdictaat kwam erop naar dat Bremgarten de rooms-katholieke religie weer moest toelaten en dat de gereformeerden het veld moesten ruimen. Deze rekatholisering had tot gevolg dat Bullinger met zijn gezin naar Zürich vluchtte. Daar was hij welkom. Hij werd er predikant en tevens voorzitter van het Ehegericht, een soort huwelijksrechtbank waarin kerk en staat beide participeerden. En al spoedig werd Bullinger door de Grote Raad aangesteld als Antistes

Bullinger bekleedde dat ambt zijn leven lang. Hij onderhield een uitgebreide correspondentie, niet alleen met collega-theologen, maar ook met mensen met regeringsverantwoordelijkheid in heel Europa. De bescherming en bevordering van de Reformatie was Bullingers hoogste doel.  

De nauwe, wederzijdse betrokkenheid van kerk en politiek in Zürich was tijdens het leven van Zwingli al een vast gegeven, ook toen de kerk tot reformatie was gekomen. Het leek er sterk op dat de politieke verbondsgedachte een vernieuwde werkelijkheid was geworden. Had er in Zürich een soort ‘verbondsvernieuwing’ plaats gehad, waarbij Zürich zich als christelijke stadsstaat opnieuw had gebonden aan de enig ware, zuivere religie? Daarmee voerde de stad politieke consequenties door die wel voor allen golden, maar niet door alle inwoners werden aanvaard. Binnen het stedelijk territorium toe kregen de ‘andersgelovenden’ in Zürich te maken met tegenwerking en onderdrukking. Dat kon resulteren in verbanning of zelfs de doodstraf. Van publieke tolerantie was geen sprake en kon ook geen sprake zijn, omdat de stadsregering alleen met betrouwbare burgers te maken wilde hebben – daarbij gelet op de kwetsbare situatie van de Reformatie in dit deel van Zwitserland. 

Het stadsbestuur van Zürich heeft er bij de benoeming van Bullinger in 1531 naar gestreefd de bemoeienis van de kerk met politieke zaken terug te dringen. Dat was voor de nieuwe Antistes van Zürich geen reden om zich terug te trekken. Hij kon er wel mee leven, echter onder één voorwaarde: hij wilde totale vrijheid om het Evangelie te verkondigen. Want, aldus Bullinger, kerk en staat zijn beide gebonden aan het Woord van God. De toespraak die hij bij zijn ambtsaanvaarding hield voor de Zürichse raad maakte dat duidelijk. Enerzijds  was er het gevaar van de overheersing van de kerk over de staat, anderzijds was het niet ondenkbaar dat de kerk door de staat werd beheerst. De rechten van beide instituten moesten worden geëerbiedigd. De rede vond algemene instemming. De raad verklaarde aan de kerk van de Reformatie een volledige godsdienstvrijheid. De overheid had zich helemaal losgemaakt van de Rooms-katholieke kerk en wilde zich voortaan alleen onderwerpen aan het Woord van God. Daarmee was het vertrouwen tussen kerk en staat weer hersteld. Deze wederkerigheid vond haar basis in het verbond. Zoals God in Zijn Verbond door beloften en eisen de onderlinge relatie vorm gaf,  zo werden in Zürich kerk en staat twee partners in het publieke domein die ook door beloften en eisen aan elkaar verbonden waren. In die beloften stond voor Bullinger de eedcentraal. Niet als slechts een formaliteit, die men gedachteloos kon uitspreken, maar als een realiteit. De goddelijke ernst daarvan – immers God was de Grote Getuige – heeft Bullinger meer dan eens aan zijn hoorders, onder hen ook de burgerlijke autoriteiten, voorgehouden. Alleen in de weg van het leven volgens Gods geboden mocht men heil verwachten. Daarom dienen predikanten als profeten als publieke wachters die de normen van Gods Woord aan de samenleving voorhouden. 

Overzicht geschriften

Dan volgt nu de lijst van de meest relevante geschriften van Bullinger over het Verbond. Zijn eerste pennenvrucht daarover kreeg de titel De Scripturae negotio, dat hij op 30 november 1523 (op de leeftijd van 19 jaar !) schreef. Daarna kwam het thema aan de orde in een brief uit het najaar van 1525 die als onderwerp had Von dem Touff, geadresseerd aan een inwoner van Bern. Diepgaander is  Bullingers werk (in 4 ‘boeken’) Von dem unverschämpten frävel, ergerlichem verwyrren, unnd unwarhafftem leeren der selbsgesannten Widertöuffern, 1531. Het belangrijkste werk over Verbond en Doop van Bullinger verscheen in 1534 en kreeg de Latijnse titel De Testamento seu Foedere Dei unico et aeterno, in het Zwitsers-DuitsVon dem einigen unnd ewigen Testament oder Pundt Gottes.[12]Het bevat een systematische weergave van zijn inzichten over het Verbond. Van indirect belang is het geschrift Ob man die Töuffer onder ander irrige imm glouben straafen moge, mei 1535(= Gutachten über die Bestrafung der Täufer). Daarnaast is Der alt Gloub (= Het oude geloof) uit 1537 evenzo van indirect belang. Bullingers grote prekenboek Dekaden (Nederlandse vertaling: Huysboeck)1549-1552,geeft tal van goede handvatten om zijn leer van het Verbond nader te leren kennen. Vervolgens nemen we kennis van Bullingers Summa Christenlicher Religionvan 1556 en in diens Catechisisvan 1559. Een historisch standaardwerk is DerWidertöufferen Ursprung, fürgang,Secten, wäsen, fürneme und gemeine irer leer…dat in 1560 verscheen. Tenslotte letten we op de tekst van de belijdenis Das Zweite Helvetische Bekenntnis, in 1561 door Bullinger opgesteld en later door staat en kerk aanvaard, dat in de hoofdstukken 17-20 handelt over diverse aspecten van Verbond en Doop. En in samenhang daarmee spreekt hoofdstuk 21 over het Heilig Avondmaal. 

Al met al voldoende toegangen om kennis te nemen van en inzicht te krijgen in Bullingers leer van het Verbond – en in nauw verband daarmee de Doop.[13]Uit dit geheel trachten we ook in beeld te krijgen hoe Bullinger de politieke orde van Zürich hiermee beïnvloedde. 

Context en inhoud

Van ieder geschrift willen we proberen de directe aanleiding daarvoor in beeld te krijgen. Het is Bullingers steevaste bedoeling om de concrete ontwikkelingen in stad en kerk zo goed mogelijk te beïnvloeden vanuit bijbelse gezichtspunten.[14]Dat blijkt dadelijk al het geval te zijn met het eerste schrijven:

  1. De Scripturae negotiois een korte uiteenzetting over de eenheid van het Oude en Nieuwe testament. Bullinger schreef aan de (nog) rooms-katholieke geestelijke Rudolf Asper te Oberrùti (Aargau) [15]o.m.: “In het kort, ik vind dat het Nieuwe Testament niets anders is dan de interpretatie van het Oude. Behalve dat ik inzag dat het Oude belooft, het Nieuwe onderwijst wat er was uitgebeeld, en dat waar het Oude meer verbergt, het Nieuwe meer openbaart, en dat het Oude te maken heeft met sluiers en afbeeldingen, het Nieuwe meer duidelijkheid biedt, namelijk de werkelijkheid van de dingen.”[16]

De Zürichse reformator Huldrych Zwingli was sinds 1523 verwikkeld in een felle confrontatie met doperse radicalen, met als leiders Konrad Grebel en Felix Mantz.[17] Hij schreef in 1525 een antwoord op het geschrift Von dem christlichen Tauff der Gläubigen(1525), ook wel aangeduid alsTaufbüchlein, van de doperse theoloog Balthasar Hubmaier.[18]Zwingli´s geschriften uit 1525 hebben als titel Von der Taufe, von der Wiedertaufe und von der Kindertaufeen Antwort ϋber Balthasar Hubmaiers Taufbϋchlein, in 1527 publiceerde hijIn catabaptistarum strophas elenchus (kortweg Elenchus), in het Zwitsers-Duits: Wider die Ränke der Wiedertäufer. Zwingli verdedigt de kinderdoop op grond van het Verbond dat God na de zondeval sloot met Adam en via Abraham in Christus de voltooiing vond.  

  • In de herfst van 1525 schreef de 21-jarige Bullinger het traktaat Von dem Tauff, dat eigenlijk niet veel meer is dan een tamelijk uitvoerige brief aan een van zijn correspondenten – in dit geval Heinrich Simler [19]uit Bern; het moet geschreven zijn tussen 5 november en 10 december 1525. Het bleef bewaard tot het gedrukt werd in 1760. Volgens Heinold Fast [20]was dit Bullingers eerste en ook beste geschrift over Verbond en Doop. Wellicht circuleerde het in kleine kring. Bullinger toont zich hierin een uitstekende leerling van Zwingli die korte tijd daarvoor enkele anti-doperse geschriften had uitgegeven. Bullinger noemt Simler zijn ‘besonderen lieben und güten fründ’. In 1525 had Bullinger vanuit zijn woon- en standplaats Kappel de drie in Zürich gehouden godsdienstgesprekken met de dopers bezocht (januari, maart, november). Hij heeft er niet het woord gevoerd. Het is niet onmogelijk dat hij Simler daar heeft ontmoet. Bullinger had zich terdege verdiept in de materie, zodat hij als een gewaardeerd medestander van Zwingli gold. Nu gaf hij de in Bern wonende Simler te kennen welke visie onder gereformeerden in Zürich gangbaar was. In Bern was het anabaptisme ook aan het licht gekomen, en de zuigkracht van deze sekte moest men niet onderschatten. Wellicht kon het schrijven van Bullinger helpen om zich ver te houden van deze beweging. Peter Simler, een broer van Heinrich, koos voor de Reformatie; hij stond als abt in Kappel in nauwe betrekking tot Bullinger.[21]

Uit de inhoud noteren we het volgende: 

  1. Bullinger gaat uit van het eeuwig Verbond zoals God dat in het Oude Testament heeft ingesteld en komt dan uit bij de tekenen van het Verbond (in onderscheid van Zwingli die in zijn denken begint bij de tekenen en uitkomt bij het Verbond).
  2. Bullingers theologische gedachten worden in sterke mate beheerst door de eenheid van het Oude en Nieuwe Verbond, waarmee de kinderdoop haar vaste plaats heeft.
  3. Ten aanzien van hen die het teken van het Verbond ontvangen stelt Bullinger (evenals Zwingli) dat God niet eist dat de ontvanger van de besnijdenis) eerst moet voldoen aan eisen van geloof en gehoorzaamheid, maar dat het teken uitsluitend een geschenk is van God die Zijn genade openbaart.
  4. Het teken van het Verbond betekent wel dat de ontvangers een ‘verplichting’ hebben ten opzichte van hun Gever – al zullen ze dat pas op latere leeftijd inzien.
  5. Door het lijden en sterven van Jezus Christus is de besnijdenis terzijde gesteld: nu is het ware bloed van het Verbond vergoten; de besnijdenis was ‘ein figur’ (een symbool) voor het toekomstige bloed van Christus. Nu dit realiteit is geworden,, zijn de schaduwen voorbij.[22]
  • De jaren omstreeks 1530 laten in heel West-Europa een krachtige opleving zien van het anabaptisme. Deze zeer gevarieerde beweging werd soms eerst getolereerd, maar later veelal verboden. De leiders werden verbannen of zelfs ter dood gebracht. Bullinger gaat in 1531 te werk en concipieert een dialoog tussen Symon, een wederdoper, en Jojada, een aanhanger van de Reformatie.[23]De laatstgenoemde probeert voortdurend zijn gesprekspartner te voertuigen van de waarheid van het gereformeerde geloof – en dat lukt hem meer dan eens. Het verslag van de vier gesprekken is de inhoud van zijn geschrift: Von dem unverschämpten frävel, ergerlichem verwyrren, unnd unwarhafftem leeren der selbsgesannten Widertöuffern, Zürich1531. In 1535 verscheen er een Latijnse editie van (met hulp van Bullingers collega Leo Jud); het kreeg de titel Adversus omnia catabaptistarum prava dogmataen telde bijna 400 pagina’s. Later verschenen er nog twee Engelse vertalingen.[24]

Dat Bullinger het onderwerp niet beperkt tot de centrale thema’s van Doop en Verbond blijkt uit het overzicht van de 17 dogmatische en ethische onderwerpen die aan de orde komen in de gesprekken. Daarvan noemen we: de verhouding Geest en Schrift, de plaats van de wet in oud en nieuw Verbond, de eenheid van de kerk, de leer van de zielenslaap, de goederengemeenschap, de christen in een overheidsambt, het afsterven van de vreugden van de wereld, belasting betalen  en over oorlog en doodstraf.[25]

  • Het vierde geschrift van Bullinger over Verbond en Doop verscheen in 1534 en kreeg als titel De Testamento seu Foedere Dei unico et aeterno. Korte tijd later verscheen een Zwitsers-Duitse editie. Het is een bondige uiteenzetting die als het ware uitgelokt was door de uit Silezië afkomstige religieuze leider Caspar von Schwenckfeld (1489-1561).[26]Deze reisde rond in Zuid-Duitsland en was intussen, mede op aandrang van Martin Bucer, uit Straatsburg verdreven. Als spiritualist beweerde hij dat de ware christen voor zichzelf leeft, dat er geen christelijke ordening van de samenleving nodig was, dat het Oude Testament geen echte autoriteit bezat en dat de kinderdoop moest worden afgewezen. Bullingers collega Leo Jud correspondeerde intensief met Schwenckfeld over deze thema’s en zo was Jud door meerdere ideeën van de Sileziër behoorlijk beïnvloed m.n. over het Avondmaal en de verhouding staat en kerk.[27]Bullinger vreesde nu dat de kerk van Zürich wel eens kon scheuren. In onderling beraad in Konstanz drongen de reformatorische leiders Ambrosius Blarer en Martin Bucer werd er bij Bullinger op aan een heldere uiteenzetting te publiceren.[28]Zo ging Bullinger aan het werk voor De Testamento, een directe reactie op Schwenckfelds geschrift Unterschied des Alten und Neuen Testaments / der Figur und der Warheit (1531). [29]Dit werk van Bullinger heeft Jud er uiteindelijk van weerhouden nog langer met de opvattingen van Schwenckfeld te sympathiseren. 

Op het titelblad van Bullingers geschrift staat de tekst uit Mattheüs 17: 5: 

Jezus

Hij is Mijn Zoon, de geliefde, 

in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!

Daarmee geeft Bullinger bij voorbaat te kennen dat hij Jezus ziet als het einddoel van het Verbond, bij Wie als het ware alle lijnen van het Verbond samenkomen. Christus vervult als onze Verlosser het Verbond. 

Wat de inhoud van het geschrift betreft pakt Bullinger zijn werk opnieuw breed aan, maar biedt hij tevens een verdieping van zijn visie op het Verbond. Daardoor heeft het werk een evenwichtig karakter en biedt het hen die met doperse leiders spreken een goed houvast dat voluit bijbels is. 

De tekst heeft Bullinger verdeeld in drie delen: 

  1. Eerst geeft de auteur een nadere bepaling van de door hem gehanteerde termen ‘Verbond’ en ‘Testament’, die geven aan dat er twee partijen bij betrokken zijn. Geen gelijkwaardige, want het is God die het geheimenis is van Zijn gemeenschap met mensen. Er wordt hierover dan ook op menselijke wijze gesproken. God past zich a.h.w. bij menselijke begrippen aan. 
  2. Vervolgens gaat Bullinger in op de belangrijkste aspecten van het Verbond; het belangrijkste van Gods Verbond is dat de Almachtige zich heeft verbonden aan Abraham (Genesis 15) en hem de deelnemers, de voorwaarden, de tijdsduur en de vorm bekend maakt. Hierin wordt de rechtvaardiging door het geloof mogelijk. 
  3. Bullinger hij besluit met een betoog over de ouderdom van het ware christelijke geloof. Dat werkt hij later uit in zijn geschrift Der alt Gloub(1537). 
  • Het geschrift Gutachten über die Bestrafung der Täufer (mei 1535) is een uitspraak van de geestelijke leiders van Zürich, bedoeld als een verdediging van het overheidsbeleid inzake de bestraffing van de oproerige wederdopers, zoals dat in dat jaar o.m. in Munster plaats vond. Het epistel was gericht aan de stadsraad van Z:urich. Bullinger behandelt de vraag of het de overheid is toegestaan om ketters vanwege hun geloof te straffen. Ook spreekt hij zich uit over de strafmaat die tegen ketters algemeen wordt toegepast.[30]
  • De Dekaden, ofwel het Huysboec, is een grote bundel met 50 eerst in het Latijn (!) gestelde preken die veel weg hebben van een behandeling van de catechismus. Het werk werd vanaf de eerste editie (1549-1552) al populair, en helemaal nadat er diverse vertalingen tot stand kwamen. Tientallen malen werd het werk herdrukt. Zo ging de Nederlandse editie mee op de VOC-schepen die naar Oost-Indië voeren. Daarmee werd men ook onderwezen in de thema’s Verbond en Doop die als het ware door alle preken zijn heen geweven.  

In zijn studie over de Dekaden heeft de Zwitserse theoloog Peter Opitz er ruime aandacht aan geschonken. Hij plaatst de thema’s niet in het kader van de bestrijding van de anabaptisten, maar geeft ze een thetische behandeling. Opitz ‘vertaalt’ de benamingen Verbond en Testament meer dan eens met ‘Gemeinschaft’. Zo spreekt hij van ‘Gemeinschaft mit Gott als Leben im Bund’ en ook van ‘Gemeinschaft mit Gott als Leben mit dem Gesetz’. Hij sluit zijn boek af met een hoofdstuk over ‘Gemeinschaft mit Gott als Gemeinschaft der Heiligen’. [31]Ook hier blijkt dat Bullinger het Verbond Gods niet alleen maar ziet als een persoonlijke band met God, maar als een fundament onder het hele christelijke leven. 

  • De Summa christenlicher Religionvan 1556 is bedoeld als bronnen- en handboek voor de gereformeerde religie. Een soort kleine dogmatiek. Op bijna 200 foliovellen beschreef Bullinger de geloofsleer van zijn kerk. Hij verdeelde de stof in 10 artikelen die elk weer onderverdeeld werden in hoofdstukken (variërend in aantal van 20 tot 5). Er is geen artikel bij over het Verbond. Wel is er een hoofdstuk aan gewijd (art. 2, h. 8). Dit lijkt te bevestigen dat het thema Verbond bij Bullinger niet dominant is geweest – behalve in momenten van strijd tegen dissidenten. Toch is het ook hier een goede zaak te letten op de plaats en dus op het verband met het geheel. Het tweede artikel behoort tot de meest fundamentele van dit handboek; waar artikel 1 handelt over de Heilige Schrift tin het Oude en Nieuwe Testament (dus de basis van het christelijk geloof), gaat artikel 2 over  ‘God en Zijn heerlijke werken en over de legitieme, juiste dienst zoals God dat wil’. Tot die ‘heerlijke werken’ behoort het Verbond dat God met mensen sluit. De ordening van de bronnen is dusdanig dat het Verbond een prominente plaats krijgt in het geloof aan God. Ook in de daarop volgende artikelen en hoofdstukken blijkt hoe wezenlijk het Verbond is (in de Godsleer, de leer van de rechtvaardiging, de genade, het geloof, het gebed, de sacramenten, de goede werken van de gelovigen en de eeuwige zaligheid. Al geeft Bullinger niet bij elk artikel en bij elk hoofdstuk expliciet aan dat het Verbond van zo grote betekenis is, impliciet is het Verbond steeds aanwezig. 
  • Bullinger klimt nog eens in de pen tegen de Wederdopers. De concrete aanleiding was het verzoek van vrienden, onder wie drukker Christoph Froschauer, een nieuw boek te schrijven tegen de anabaptisten. Tot in het voorjaar van 1559 waren het vooral Noord-Duitse collega’s en vrienden die erop aandrongen ‘de pest van het anabaptisme’ met een keur van argumenten nog eens te bestrijden. Men zal vooral moeten denken aan veel reformatorische voorgangers in Oost-Friesland en Sleeswijk-Holstein, waar de overheden een tamelijk tolerant beleid voerden. Uitgever Froschauer kreeg van Bullinger al bij voorbaat een lijst van 99 invloedrijke personen aan wie het nog te drukken boek moest worden toegezonden. De meest prominente personen op de lijst waren koningin Elisabeth van Engeland, landgraaf Philips van Hessen, hertog Christoph van Württemberg en keurvorst Frederik III van de Palts.[32]

Bullinger ging aan de slag en voltooide het werk binnen een half jaar. Hij besefte terdege dat de doperse beweging nog altijd zeer actief was. Na de kruitdampen van de doperse radicalen in de jaren ’30 bleef het anabaptisme voortbestaan in allerlei schakeringen. Een deel koos voor het gedachtegoed van de in 1556 overleden David Joris, anderen bleven Schwenckfeld vereren, maar de hoofdstroom volgde Menno Simons. Echter, diens overlijden in 1561 betekende opnieuw onzekerheid en toenemende verdeeldheid onder de dopers. Globaal genomen stonden de gematigde tegenover de strenge  dopers. Wat opviel waren  de voortdurende pogingen om gelovigen over te halen tot hun beweging. Dat was dan ook de reden waarom reformatorische auteurs de ganzenveer pakten om de doperse leer te bestrijden; zo deden o.m. Guido de Brès en Marnix van Sint Aldegonde. In Zwitserland was deze problematiek voor Bullinger van zo groot belang dat hij er een complete historische studie (van zes ‘boeken’) aan wijdde en die publiceerde onder de titel Der Widertöufferen Ursprung, 1560; het werk telt ruim 460 bladzijden. Het mag beschouwd worden als een Fundgrube voor de historie van al die bewegingen die  men met de verzamelnaam ‘dopers radicalisme’ kan aanduiden.[33]Het is overigens een onderzoek waard om na te gaan in hoeverre auteurs als De Brès en Marnix door het werk van Bullinger zijn beïnvloed. Het boek werd een bestseller, in heel Europa werd het bestudeerd.[34]

Rooms-katholieke ketterjagers/inquisiteurs maakten er zelfs gebruik van bij hun bestrijding van de anabaptisten.[35]

Wat Bullinger in zijn studie wil aantonen geeft hij aan in een uitvoerige inleiding. We vermelden daaruit de volgende  hoofdpunten: 

  1. De dopers zijn niet geworteld in het evangelie, zij hebben een onjuist Schriftprincipe, en daardoor onjuiste opvattingen over veel geloofsthema’s zoals de christologie, de kerk en ook over Verbond en Doop. 
  2. Vanaf het begin van de kerkgeschiedenis ontstonden er naast de leer van het evangelie diverse sekten; dit historisch gegeven laat iets zien van Bullingers grote kennis van de geschriften van veel kerkvaders. 
  3. De evangelische (reformatorische) kerken zijn onderling niet overal dezelfde mening toegedaan, wat overigens ook al binnen de vroege katholieke kerk het geval was. De ideale kerk, zoals de dopers die zien, bestaat niet. Bullinger meent te kunnen stellen dat de oorsprong van de doperse beweging in Saksen lag, in de jaren kort na 1520. Hij denkt aan leiders als Andreas Karlstadt en Thomas Münzer. Later dook de beweging op in Zürich, omstreeks 1525 waar mannen als Grebel en Mantz de leiding aan gaven. 
  4. De doperse afzondering van de wereld mag men niet dulden; hier ligt een taak voor de overheden.[36]Maar ook de visie op de overheid is niet in overstemming met Gods Woord. 

Het geschrift Der Widertöfferen ursprungis, goed beschouwd, een royale bewerking van Bullingers eerdere werk Von dem unverschämpten frävel…uit 1531. 

  • Voor de gewone man (‘gemeinen Mann’) waren veel van Bullingers geschriften niet geschikt; maar van de Catechesis [37]kan men dat niet gemakkelijk beweren – al zijn sommige antwoorden wel erg uitgebreid. Het werk is bedoeld om de ‘fürnembsten Haubtpuncten Christlicher Religion’ grondig te verhelderen. Al in het derde hoofdstuk behandelt Bullinger ‘het Verbond dat God met de mensen heeft gesloten’ en daarmee samenhangend ‘de ware godsdienst’.Via tien vragen en antwoorden worden de belangrijkste aspecten uiteengezet. Er wordt eerst gevraagd ‘Waarmee heeft God voornamelijk Zijn vaderlijke wil tegenover de mensen getoond?’ Het antwoord luidt: ‘Met de belofte die Hij zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit natuurlijke en loutere goedheid en genade ons de hoogste goederen en het eeuwige leven belooft.’ Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geestelijke en lichamelijke zaken, wat Bullinger laat zien aan de hand van de Bijbelteksten in Genesis 3:15, Genesis 12:3; Jeremia 31:34. 

Ook wordt onderscheid gemaakt tussen Gods beloften en Zijn eisen; onder dat laatste valt ook de vraag hoe de mens heeft te leven. Het antwoord daarop is ‘Ons ambt is dat wij deze God recht en alleen vereren en alle andere goden daarbuiten houden, omdat alleen Hij alle mensen in al hun noden genoegzaam helpen kan’. Het spreken van ‘ons ambt’ duidt zowel op persoonlijke als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.[38]

  1. De door Bullinger opgestelde geloofsbelijdenis die door de het kanton Zürich en de Zwitserse Gereformeerde Kerken in 1566 aanvaard werd kreeg de naamConfessio Helvetica Posterior (Das Zweite Helvetische Bekenntnis).[39]Daarin wordt niet alleen stelling genomen tegen de Rooms-katholieke kerk, maar ook tegen de wederdopers. Dat laatste met name in de hoofdstukken 18, 20 en 30. Bullinger stelde dat de ene doop het beginteken was van het volk van God. Het geeft aan dat de gedoopte in het Verbond is opgenomen, in de gemeenschap van al Gods kinderen. 

Tevens geeft Bullinger duidelijk aan – dit tegenover wederdopers en roomsen – hoe de kerk ambtelijk dient te worden ingericht naar analogie van de kerk der apostelen. 

  1. Een afzonderlijke vermelding, maar goed passend in de sfeer van het verbond, krijgt Bullingers werk Der christliche Ehestand, 1540. Tegenover ‘de valse leer van Rome’, die het huwelijk onderwaardeert, stelt Bullinger dat het h8uwelijk een goede instelling van God is. Het wezen is niet door de zondeval aangetast. Het huwelijk is een beeld van de verbondsrelatie tussen Christus en zijn gemeente. Bij het huwelijk beloven de partners trouw aan elkaar, naar hart en lichaam en bezit. Dit gebeurt naar analogie van het Verbond van God met mensen. Belofte en eis horen onlosmakelijk bij elkaar. Daarom zal de kerk met de overheid er op toezien dat er getrouwd wordt in overeenstemming met Gods wil en geleefd wordt tot Gods eer – dat is de taak van het Ehegericht.[40]

Samenvatting

We geven nu voor een samenvatting van zijn denken over het Verbond het woord aan Bullinger zelf. Hij heeft in zijn Summa christenlicher Religion, Artikel 2, § 8, een prima vertolking aangereikt over Gods Verbond onder de titel: Gott hat das menschliches Geschlecht mit sich verbunden zum Heil und zum stetigen Dienst.Daarop volgen deze woorden: 

“Indem Gott den Menschen vom ewigen Tod aus den Banden und der Dienstbarkeit des Teufels rettet und erlöst, zieht er den Menschen zu sich und verbündet ihn mit sich. So soll der Mensch fürderhin sein ganzes Leben lang auf Gott sehen, ihm vertrauen, seinen Willen erfüllen, ihn ehren und ihm dienen, und sich des Teufels und seines ganzen Reichs entledigen; und er soll. Wenn er hie und da fehlt und fällt, nicht an Gottes Wohlwollen verzweifeln, sondern wiederum auf das Gute und auf die Gnade hoffen, aufstehen, sich bessern und sich an Gott halten. 

Wie die Heilige Schrift überall bezeugt, geschieht das, indem Gott ein Bündnis mit dem menschlichen Geschlecht aufgerichtet hat. Diesen Bund hat er mit Adam begonnen, mit Noah weitergeführt, mit Abraham deutlich gemacht, durch Mose erneuert und schriftlich gemacht, und durch Jesus Christus zu Ende geführt. Folgendes sind die Artikel dieses Bundes oder Testaments: Gott will unser Gott sein und uns alles zur Genüge geben; ja, durch Christus, seinen Sohn, will er uns in Ordnung bringen und uns alle himmlischen Werte schenken. – Das ist es, was er uns tun will; es folgt jetzt, was er von uns haben wolle. Für all das sollen wir uns an Gott alleein halten, keinen anderen Gott neben ihn haben, ihm allein vertrauen, ihn anbeten, anrufen und verehren, ihm Treu und Glauben halten und unser ganzes Leben lang in seinen Geboren wandeln. 

Das alles lässt er uns durch Seine Diener im Wort verkünden. Er lässt es als einen urkundlichen Brief in die heiligen Bücher verfassen; auf diese sollen wir vertrauen. Als Siegel der Wahrheit hängt er die heilige Sakramente an diesen Vermächtnis- und Bundesbrief; diese sollen wir bibelgemäss brauchen. 

Diejenigen, die das tun, sind richtige Diener und Bundesgenossen Gottes und haben die legitime richtige Religion. `Religio` ist ein lateinisches Wort und heisst `Verbindung´. Durch Gottes Huld, d.h. tiefes Vertrauen in beschriebener Weise werden wir Gott vereinigt, verbunden. Darum ist das rechte Bϋndniss Gottes und die wahre Religion Gottes ein und dasselbe; und diejenigen sind die wirklich Religiösen, die, mit Gott verbϋndet, sich aller anderen Dinge enthalten und sich einzig an Gott und an sein Wort halten.”

Voorlopige balans

We constateren vanuit de hierboven vermelde geschriften dat Bullingers verbondsleer een voluit theologische aangelegenheid was, met soms een praktisch-pastoraal accent. Zijn uiteenzettingen vertonen in de eerste plaats een thetisch-positiefaspect en bevatten heldere lijnen die bijzonder waardevol zijn voor theologie en kerk; ze vormden niets minder dan een her-ontdekking van een eeuwenoud geloofsthema dat een basale betekenis heeft voor geloof en leven. In de tweede plaats stelt Bullinger zich antithetisch-kritischop en hebben zijn gedachten over het Verbond grote waarde tegenover de Rooms-katholieke kerk met haar ‘routine-godsdienst’ en vooral tegenover de doperse radicalen die het Verbond beperken tot volwassen gelovigen. Maar ook dan blijft het geheel een theologisch-leerstellig karakter dragen. Hij heeft daarmee het fundament gelegd voor een manier van leven voor Gods aangezicht die gestempeld wordt door de beloften en eisen van Gods Verbond. Met dat samenleven heeft Bullinger het ‘corpus christianum’ op het oog, waarin het leven geordend is (c.q. dient te zijn) naar de Wet van God. Doordat de politieke orde gunstig was voor de gereformeerden konden dezen de wetten en regels van de samenleving grotendeels alleen bepalen. Van de niet-gereformeerde bevolkingsgroep kon men verwachten dat die zich neerlegde bij de nieuwe orde – en daar zullen de uiteenzettingen van Bullinger ook voor bedoeld zijn geweest –, maar hun burgerrechten was niet omschreven, daar was het historisch nog te vroeg voor. Hun invloed was dus miniem en kon alleen met militaire operaties veranderen. 

Politieke acties van Bullinger

Vanaf het begin van zijn aantreden heeft Bullinger zich in woord en geschrift uitgelaten over diverse zaken die de politieke orde van Zürich betroffen. Hij doet dat namens de predikanten in zijn functie als ‘Berater’ van de stedelijke autoriteiten. Zijn adviezen, waarvan er een representatief deel nog onlangs is gepubliceerd, beslaan het complete domein van de burgerlijke overheid.[41]We maken melding van de volgende gebieden waarop Bullinger invloed uitoefende.

  1. ONDERWIJS. 

Bullinger verzet zich op 17 februari 1532 tegen de plannen van de Grote Raad om het klooster van de Grossmünster – nog steeds een autonome instelling – in handen van de overheid te brengen. Dit instituut betekende veel voor het christelijk schoolonderwijs, juist ook ten dienste van de Reformatie. Zo was het ook vastgesteld in 1523 toen het klooster in dienst van de kerkelijke gemeente werd gesteld.  En als daar nu afbreuk aan gedaan zou worden, was dat woordbreuk. Waar het Bullinger om te doen was, gaf hij als volgt aan: “Behütet es daher für die Kirche und eure Nachkommen zur Erhalting der Wahrheit!” Enkele jaren later zet Bullinger zich in voor het behoud van een school in Rüti en andere plaatsen. En in 1566 schrijft bij voor de Fraumünster een schoolorde. 

  • TURKENOORLOG.

Samen met zijn collega Leo Jud keert Bullinger zich op 17 juli 1532 tegen deelname aan de keizerlijke militaire veldtocht tegen de Turken. De reformatorische leiders hadden groot wantrouwen tegen Karel V: zijn doel was op het eerste gezicht heel begrijpelijk, maar de bijbedoelingen konden wel eens meer omhelzen dan nu duidelijk was, namelijk versterking van de Habsburgse macht, o.a. door Karels broer aartshertog Ferdinand in Hongarije koning te maken. Bovendien was het niet zonder gevaar dat Zürichse soldaten zich weer bezondigden aan het Reislaufen (het dienen in legers van buitenlandse machten – zoals dat tot het begin van de Reformatie voorkwam), en daardoor onder een vlag dienden die de hunne niet was. 

  • REFORMATORISCH BONDNOOTSCHAP.

De zaak van het behoud en de voortgang van de Reformatie was sinds de nederlaag bij Kappel 1531 een zaak van grote zorg in Zürich. Eigenlijk was Zwitserland als Eedgenootschap uit elkaar gevallen. Al in 1532 laat Bullinger zijn stem horen ten gunste van afzonderlijk reformatorisch bondgenootschap. Hij wilde een tweede Kappel voorkomen. Met een eigen bond kon stond men sterker tegenover de moeilijkheden van reformatorische christenen in gebieden waar de rooms-katholieken de macht bezaten. Het goed ogende plan ging echter niet door: velen waren er beducht voor dat de rooms-katholieken in Zwitserland hun steun zochten bij sterkere machten die een veel grotere bedreiging vormden voor de Reformatie. 

  • ECONOMIE EN FINANCIËN.

Namens de Zürichse predikanten stelde Bullinger in 1534 een ‘Gutachten’ op over de nieuwe belastingwetgeving (‘Zinsordnung’). Hij kwam de overheid te hulp, daar deze met vraag worstelde hoe hij bijbelse regels kon toepassen in de eigen samenleving. De grote armoede bestrijden werd onvoldoende gedaan door de burgers, nu moest de overheid wel belasting heffen op leningen, kopen en verkopen. Het percentage mocht niet hoger liggen dan 5. Omstreden was het punt van de ’belastingen in natura’; de raad liet deze vorm van belasting toe, maar de predikanten waren hier tegen. Dat deze maatregel in 1545 werd opgeheven – er kwam weer een verbod op ‘belasting in natura’ – toont aan dat Bullinger c.s. een goed zicht hadden op de zich vernieuwende waarden van de dagelijkse belastingpraktijk.

  • RECHTEN EN VRIJHEDEN VAN DE KERK.

In de zaak van het recht tot benoeming van predikanten legden Bullinger en Jud een ‘Gutachten’ voor aan de Grote Raad waarbij het hun te doen was de rechten van de kerk te beschermen tegen ingrepen van de overheid. Het speelde zich af in 1538. Hierin toonden de indieners zich zeer strijdbaar. In 1549 was de kwestie van de vrijheid van de prediking weer aan de orde en daarin diende Bullinger de Kleine Raad met een dringend advies tot behoud van de 1531 reeds toegezegde vrijheid voor het evangelie. In 1553 deed zich een incident voor met betrekking tot de weigering om een uit het reformatorische Engeland ( ten tijde van Eduard VI) afkomstige belijdenis te laten drukken. Bullinger wenst wel boekencensuur, maar niet om reformatorische werken tegen te houden. 

  • BUITENLANDSE POLITIEK.

In 1549 ontwikkelde de nieuwe Franse koning Hendrik II plannen voor een militaire alliantie tussen Frankrijk en de Zwitserse Eedgenootschap. De meeste kantons voelden er wel voor, vermoedelijk vanuit een anti-Habsburgs sentiment, maar Zürich (en ook Bern) keerden zich tegen de alliantie. Dat gebeurde nadat Bullinger had uiteengezet dat het verboden was ‘een vervolger van het ware christendom te helpen in een oorlog’. Door middel van een soort volksraadpleging  werd duidelijk dat de (meerderheid er mee instemde. 

  • DE EED.

Door Bullingers invloed werd vanaf 1551 het zweren van de eed ´bij de heiligen´ verboden. Deze vanouds bekende rechtsvorm was al sinds de invoering van de Reformatie omstreden, maar men had het niet verboden, wellicht mede omdat de andere kantons er best mee konden leven. Toch werd de latent aanwezige spanning steeds meer voelbaar en zo besloot Zùrich – op aandringen van Bullinger en zijn medepredikanten – de andere kantons mededeling te doen van het afschaffen van genoemde eed. Daarmee was de eenheid in Zwitserland op dit punt verbroken.  Dit heft geduurd tot 1798. 

  • ARMENZORG.

Met medewerking van vijf collega-predikanten hield Bullinger voor de (Kleine?) Raad van Zürich op 23 maart 1558 een voordracht over de armenzorg. Hij had dat al eens eerder gedaan, nl. op 7 maart 1551, waarbij hij zich met bijbelse woorden verdedigde tegen inmenging in overheidszaken. Armenzorg was een taak van de hele christenheid. Tevens had hij toen nog eens herinnerd aan de toezegging uit het begin van de Reformatie dat de kerkelijke goederen zouden worden besteed aan de armenzorg. De Raad besloot in 1551 de bedelarij voor inwoners nog eens te verbieden en ook het spelen om geld. Desondanks waren deze problemen in Zürich niet opgelost, eerder toegenomen. Om de overheid opnieuw op te roepen tot consequent handelen lieten de predikers van Zürich zich in het voorjaar van 1558 weer horen. IN de herfst liet de Raad weten dat zij die werkelijk behoeftig waren zouden worden geholpen en dat de niet-autochtone bedelaars de stad werden uitgezet. Helaas braken er in de jaren ’60 economisch moeilijke tijden aan, zodat de kerk zich in 172 opnieuw genoodzaakt zag de overheid te attenderen op een goede aanpak van de armenzorg.

  • WOEKER.

In tijden van economische achteruitgang doen zich op financieel gebied vaak extremen voor die de samenleving nog verver kunnen scheeftrekken. Een voorbeeld daarvan is het hanteren van woekerprijzen en het nemen van woekerrente. Op 14 februari 1568 drongen Bullinger en zijn collega’s er bij de Raad op aan stevige strafmaatregelen te nemen tegen hen deze praktijken erop na hielden; ze veroorzaakten ellende en een uiteenvallen van de onderlinge solidariteit. 

  1. VLUCHTELINENHULP.

Vanaf het begin van de jaren ’60 woedde er Frankrijk een burgerstrijd die als godsdienstoorlog de naam Hugenotenoorlogen kreeg. De leiders van de rooms-katholieke partijen waren niet genegen de gereformeerde Hugenoten godsdienstvrijheid toe te kennen. Hun politieke invloed in dorpen en steden was zeer beperkt. Nationaal echter gaven adellijke leiders als Condé en De Coligny leiding aan hun achterban en trachtten door invloed op het koningshuis de positie van de Hugenoten te versterken. De militaire strijd ging op en neer; een tolerantie-edict werd gesloten, vervolgens bestreden, daarna ontbonden en soms weer vernieuwd. Koning Karel IX kon (of wilde) geen garanties geven voor de veiligheid van zijn gereformeerde onderdanen. Daarom trokken velen van hen naar Zwitserland en verzochten asiel in Genève (en andere Franssprekende plaatsen).Bullinger vernam dat de Raad van Zürich een verzoek om financiële hulp uit Genève had ontvangen en wilde graag dat de stad een stevig bedrag ter beschikking stelde. Het was een vorm van naastenliefde die na Zürich navolging vond in Basel en St. Gallen. Ook particulieren stelden geld ter beschikking voor hulp aan geloofsvluchtelingen. 

Bullingersafscheidsbriefvan 2 augustus 1575 aan de overheden van Zürich bevat een dringend appel op de autoriteiten om in hun machtsdomein de Reformatie te blijven beschermen. Hij doet dat in zeven aandachtspunten die we hier in ’t kort weergeven. 

1. Bullinger bedankt de overheden voor al het goede dat hem ten deel is gevallen en hoopt dat God het hun mag vergleden en zegenen. 

2. Bullinger stelt vervolgens dat hij niets anders heeft gewild dan Christus te dienen ‘in der ganzen christlichen Gemeinde’. Dat gebeurde door het verkondigen van ‘die wahre, rechte, christliche Lehre’ zoals die in het Oude ene Nieuwe Testament is overgeleverd. Dit dient te gebeuren onder verwerping van de pauselijke leer. 

3. Bullinger waarschuwt tegen de leerstellingen van het Concilie van Trente, die niet anders tot doel hebben de ware leer te onderdrukken. 

4. Bullinger wenst dat de Raad als nieuwe Antistes een man kiest die God-vrezend is en afkerig is van intriges (die geen genade en geluk met zich meebrengen). Als opvolger schuift Bullinger zijn pleegzoon Rudolf Gwalther [42]naar voren, getrouwd met Regula, de dochter van Huldrych Zwingli. 

5. Ten aanzien van de drukpersvrijheid stelt Bullinger dat de overheid een censurerende taak heeft bij het drukken van boeken. Voor dwaalgeesten moet de toegang tot de drukpers worden afgesloten. 

6. Nu komt Bullinger tot de kern van zijn afscheidsbetoog, hij heeft er dan ook veel woorden voor nodig. Hij roept de overheid op om steeds trouw naar de kerk te komen en daar deel te nemen aan het ‘Gemeinschaftsgebet’. En ook: leer vanuit het Woord van God te streven naar recht en gerechtigheid in de samenleving; dat is hetzelfde als Gods heil ontvangen waardoor het heil voor de mensen wordt bevorderd. Daarom is het onderwijs van grote betekenis en dus moet de zorg van de overheid daar vooral naar uit gaan. Maar ook belangrijk is de armen- en ziekenzorg. Richt de samenleving zo in dat de wet van God wordt nageleefd en daarmee de eer van God wordt nagestreefd. 

7. Bullinger wenst de overheidspersonen toe dat ze eensgezind en liefdevol met elkaar omgaan. Dat ze met eer hun ambt bekleden. Als zij onnodige strijd vermijden zal de vrede van God hen regeren en zal men in rust kunnen leven. Zo bidt Bullinger die vrede en rust ook toe aan zijn kinderen en kleinkinderen. Gods genade was tevens de grondslag voor zijn eigen leven en dienst in Zwitserland.  

Eindbalans

Wie het geheel van de verbondsleer van Bullinger overziet, kan niet anders dan concluderen dat hij een theologisch bepaald ontwerp heeft gemaakt, dat in grote lijnen religieus van inhoud is. Het politiek bepaalde aspect komt daarin als expliciet model voor de staat nauwelijks in beeld, of we moeten de opmerkingen over de aanpak door de overheid van de Wederdopers daaronder scharen. Maar impliciet denkt Bullinger heel sterk vanuit het Verbond als ‘Gemeinschaft mit Gott’, wat niet anders mogelijk is dan door Wet en Woord van God als grondslag te nemen. Dat heeft Bullinger in 1531 met instemming aangehoord toen hij aantrad in dienst van Zürich: de overheid belooft zich te willen houden aan de wet van God. De eed die overheden en burgers afleggen voor het aangezicht van God dient men te zien als bekrachtiging van de verbondenheid van de stad met de ware dienst aan God. Daarmee is Heinrich Bullinger – evenals Huldrych Zwingli – een principieel voorstander van een theocratische samenleving. Op gezette tijden kreeg de overheid  nieuwe raadgevingen aangereikt die van invloed waren op de Zürichse samenleving. 

Dat zoiets een verbondskarakter draagt is niet vreemd aan de Zwitserse historie. Men kan dat desgewenst – met de Zuid-Afrikaanse jurist Andries Raath – aanduiden als ‘die samebinding van die verbondsgebaseerde Christelike gemeenschap’.[43]En dan denken we aan het uit de christelijke middeleeuwse traditie stammende begrip ‘corpus christianum’ dat principieel uiting van de eenheid van het christelijk geloof. 

Maar deze realiteit – als ze al ooit bestaan heeft – was in de 16deeeuw hard bezig te verdwijnen. Er ontstond een religieus pluriforme samenleving waarin de overheid christelijke normen en waarden trachtte te handhaven, maar waar een principiële  oplossing voor de religieuze tolerantie alleen bestond in het (uitwendig) aanvaarden van de door bijbelse normen bepaalde wet- en regelgeving. Mara het ontbrak aan officiële richtlijnen of bepalingen die een pluriforme samenleving interne zekerheid konden geven m.b.t. de rechten van minderheden. Het leverde een spanning op die men in veel steden en staten heeft gekend en waar overheden steeds meer een realistische, pragmatische lijn volgde om interne moeilijkheden het hoofd te bieden. De eeuwen daarna laten zien hoe burgerlijke tolerantie vanuit de gedachte van soevereiniteit in eigen kring vorm kreeg in het christelijke Westen.  

Ter afsluiting

Ik volsta hier met enkele korte statements. 

  1. Bullinger heeft op een heldere wijze vanuit de Bijbel  aangegeven hoe het Verbond tussen God en mensen is ontstaan (Adam), hoe God dat heeft vernieuwd (Noach, Abraham) en hoe het in Christus, hétZaad van Abraham, tot volle ontplooiing is gekomen. 
  2. Bullingers opvatting van de eenheid van het Oude en Nieuwe Verbond of Testament is de basis van zijn verbondstheologie. Die eenheid zelf is gefundeerd in de beloften m.b.t. de komst van Christus en in de realisering van die beloften. 
  3. Door evenals Zwingli de eenheid van het Verbond te erkennen is bij Bullinger de overgang van de tekenen van het oude Verbond (nl. van besnijdenis en ceremoniën) naar die van het nieuwe Verbond (doop en avondmaal) een eenvoudige consequentie van de ontwikkeling van Gods Verbond naar de voltooiing en dus geen reden om de kinderdoop te weigeren. 
  4. Bullinger heeft, evenals Zwingli, veel van zijn opvattingen geformuleerd in confrontatie met de anabaptisten. Daarin heeft hij steeds vanuit de eenheid van het Verbond de anabaptisten willen laten inzien hoezeer zij van Gods Woord afweken. 
  5. Van een denklijn naar ‘verbondsautomatisme’ bespeurt men bij Bullinger niets;  hij denkt niet in termen van vanzelfsprekendheden, hij spreekt heel evenwichtig over beloften, eisen en verbondstrouw; daardoor staat hij in zijn spreken over het Verbond dicht bij ‘de gewone man´. 
  6. Bullinger heeft in zijn uitspraken vaak laten zien hoe het Verbond centraal staat in het leven van de christenen en daarmee heel het leven voor Gods aangezicht draagt. Dat geeft ook aan dat er in zijn theologie geen grote spanning voorkomt tussen wet en evangelie; Bullinger laat de wet functioneren in alle tijdperken van Gods Verbond, daarbij rekening houdend met de heilshistorische aard van dat tijdperk. 
  7. Door het Verbond als basis voor het christen-zijn te beschouwen laat Bullinger ook zien hoe dat doorwerkt in andere thema´s van de theologie en kerk-zijn (prediking, pastoraat, predestinatie, zonde en genade, tucht, visie op Bijbel, samenleving en toekomst). 
  8. In zijn bestrijding van de leer en de praktijk van de wederdopers heeft Bullinger Zürich in de eerste plaats gediend, maar vervolgens kregen zijn opvattingen ook grote invloed in andere delen van Europa. 
  9. Het is wenselijk dat tegenstanders van de kinderdoop grondig kennis nemen van de door Bullinger ontwikkelde verbondsleer. Het zal positief kunnen bijdragen aan de door velen  gewenste eenheid onder protestanten.  
  10. De verhouding kerk en staat werd door Bullinger gezien als een partnerschap met Gods Verbond als grondwet. Daarbij bepaalden de twee aspecten van het Verbond – beloften en eisen – de relatie tussen de partners. Daarmee staat hij in de traditie van voorstanders van de theocratie. 
  11. Bullinger was evenals Zwingli een leider die als reformatorisch theoloog de koers van de overheid mede bepaalde. Bullinger heeft een scherp oog voor de soms zwakke positie van de Reformatie in zijn regio; dat leidt tot een anti-roomse en een anti-wederdoperse politiek. 
  12. Bij Bullinger wordt meer dan bij Zwingli iets zichtbaar van de dualiteit van de instituten kerk en staat, wat het begin heeft betekend van de erkenning van elkaars soevereiniteit in eigen kring. In een dergelijk kader is ruimte voor tolerantie. 
  13. Het thema van het Verbond verdient in de kerkelijke en theologische werkelijkheid van nu –  zeker in Nederland –  een herwaardering, juist omdat het basaal van karakter is. Tegelijk is het ook een belangrijk pastoraal thema. 

[1]Emilio Campi, Peter Opitz (Eds.), Heinrich Bullinger. Life – Thought – Influence, Zürich 2007, Vol. I, pp. 573-592, Vol. II, pp. 671-692,  961-976. 

[2]Idem, Vol. II, pp. 853-879.

[3]Zo laat M. van Campen in zijn bijdrage aan de bundel Het verbond van God met mensen(red. Henk Hagoort), Heerenveen 1999, p. 72, Bullinger feitelijk buiten beschouwing. 

[4]; Peter Opitz, Heinrich Bullinger als Theologe. Eine Studie zu den ‘Dekaden’. Zürich 2004, S. 336. 

[5]George M. Elia, ‘Henry Bullinger and the Covenant of Grace’. In: MBS Texte 52, Martin Bucer Seminar, 2. Jahrgang 2005 (via internet te raadplegen). 

[6]Lukas Vischer maakte In zijn bijdrage in 2004 de behartenswaardige opmerking dat de aanduiding ‘covenant’ (zeker vandaag) niet de betekenis dekt van de door Bullinger gehanteerde woorden ‘Testament’ en ‘Pundt’; ‘covenant’ heeft  meer betrekking op zaken als aardse gerechtigheid, vrede en het bewaren van de schepping; ‘…einen Bund mit euch und allen lebenden Wesen’, in: Campi und Opitz, O.c.962.  

[7]Aldus de Noord-Ierse Rev. Angus Stewart in de British Reformed Journal. Geciteerd via de website van de Covenant ProtestantReformed Church (CPRC), onder de titel ‘Heinrich Bullinger, the First Covenant Theologian’. 

[8]Zwingliana 40 (2013), S. 1-36. 

[9]Een voorbeeld van de hier bedoelde eenzijdigheid is de in de kerkelijke strijd van 1942-1944 door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland gedane uitspraak over Verbond en Doop, welke leidde tot de Vrijmaking van 1944. Opmerkelijk is in dit verband dat de voorman van de Vrijmaking, prof. dr. Klaas Schilder (1890-1952), weinig specifieke aandacht heeft geschonken aan de door Bullinger ontwikkelde leer over het Verbond. Zie o.m. K. Schilder, Het Verbond in de Gereformeerde Symbolen.Kampen 1977, p.4. 

[10]  Zier o.m. Martin Haas, Huldrych Zwingli und seine Zeit. 3. Auflage, Zürich 1982, S. 61-74.Vgl. Ulrich Gäbler, Huldrych Zwingli. Eine Einführung in sein Leben end sein Werk. München 1983, S. 16. 

[11]In Nederland verschenen in 2004 en 2005 twee beknopte levensbeschrijvingen over Bullinger, eerst noemen we die van Johannes A. Meijer, De man in de schaduw, Heinrich Bullinger en zijn Tweede Helvetische Confessie. Enschede 2005; vervolgens die van Harm Veldman, Heinrich Bullinger 1504-1575. Gereformeerd pastor voor Europa.Bedum 2004. 

[12]Van dit geschrift verscheen een Nederlandse vertaling van de hand van de predikanten H.A.J. Lütge en G. Oorthuys, Het eenige en eeuwige Testament of Verbond Gods, Den Haag 1923; ook Bullingers  geschrift Het oude geloofwerd in dezelfde band uitgegeven. 

[13]Een en ander betekent niet dat Bullinger zich in zijn andere geschriften niet heeft uitgesproken over dit thema, maar dat deed hij veelal terloops en geheel in overeenstemming met de inhoud van de bovengenoemde werken.

[14]Veel onderzoekers stellen dat de pastorale benadering door Bullinger het hoofdkenmerk is van diens  manier van werken; zo o.m.: Fritz Blanke und Immanuel Leuschner, Heinrich Bullinger. Vater der reformierten Kirche. Zürich 1990.

[15]Deze Rudolf Asper was lange tijd een onbekend persoon, totdat Willy Brändly, medewerker aan het tijdschrift Zwingliana, hem wist te identificeren als ‘Leutpriester’ in Oberrüti (Aargau). Asper bleek een wat oudere rooms-katholiek geestelijke te zijn. In 1523 kreeg de jonge Bullinger van zijn abt Wolfgang Joner in Kappel het verzoek een brief te schrijven aan Asper om het reformatorische Schriftprincipe uiteen te zetten. Dat is bedoeling van Bullingers schrijven De Scripturaenegotiogeweest. Zwingliana, 8/10 (948), S. 601-603. 

[16]Heinrich Bullinger,Werke. Dritte Abteilung: Theologische Schriften – Band 2: Unveröffentichlichte Werke aus der Kappeler Zeit.Zurich 1991, S. 25.

[17]Vgl. Harm Veldman, ‘De confrontatie tussen reformatie en dopers radicalisme (1523-1527)’, in zijn: Huldrych Zwingli, hervormer van kerk en samenleving. Goes 1984, p. 66-99.

[18]Balthasar Hubmaier ( plm. 1480-1528) was als (reformatorisch) predikant te Waldshut op de Paasdag van 1525 overgedoopt door Wilhelm Reublin; daarna volgde bijna de hele gemeente zijn voorbeeld. In de loop van 1525 ging deze prediker naar Zùrich, waar hij onmiddellijk gevangen genomen werd. Zwingli bestreed hem. Na vier maanden werd Hubmaier vrijgelaten nadat hij zijn opvattingen had herroepen. Hij vluchtte naar Moravië waar hij zich weer aansloot bij de wederdopers. Op 10 maart 1528 werd hij in het keizerlijke Wenen op de brandstapel ter dood gebracht.

[19]Heinrich Simler was een burger van de stad Bern; waarschijnlijk is hij aanwezig geweest op een van de drie godsdienstgesprekken te Zürich in 1523. Over deze Simler is weinig bekend; zijn vader was schout van Bern. Heinrich was een broer van Peter Simler, die de vader werd van Josias Simler en deze trouwde later met Elisabeth, dochter van Bullinger. Vgl. Ulrich Gäbler und Endre Zsindely, Heinrich Bullinger Briefwechsel, Band I. Zürich 1973, S. 53f., 195f; Blanke und Leuschner, Heinrich Bullinger, S. 290f.

[20]Heinold Fast, Heinrich Bullinger und die Täufer. Weierhof 1959, S. 19.

[21]Leonhard von Muralt und Martin Haas (Eds.), Quellen zur Geschichte der Täufer in der Schweiz. Vol. 3. Zürich 2008, S. 137f. 

[22]Vgl. W. van ’t Spijker, ‘De leer van de doop bij Zwingli, Bullinger en Bucer’. In: W. van ’t Spijker c.s. (red.), Rondom de doopvont. Kampen 1983, p. 240.

[23]De figuur van Symon is zeer waarschijnlijk gekozen vanwege Simon de Tovenaar Hand. 8) terwijl Jojada de hogepriester is die de jonge koning Joas onder zijn hoede nam en zo de toekomst van het koningshuis in Juda veilig stelde (2 Kron.22 en 23).  

[24]Peter J.A. Nissen, ‘Een Nederlandse vertaling van Heinrich Bullingers vroegste tractaat tegen de Dopers’, in: Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 66 (1986), p. 190199. De Nederlandse vertaling is nooit in druk verschenen, maar in handschrift bewaard, 262 bladen groot; het document bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.

[25]H. Fast. O.c., S. 77f. 

[26]Hierover meer bij: Yasukazu Morita, ‘Bullinger und Schwenckfeld’. In: U. Gäbler, E. Herkenrath (Hg.), Heinrich Bullinger 1504-1575. Band II. Zürich 1975, S. 143-156. Over Schwenckfeld zelf: Paul G. Eberlein, Caspar von Schwenckfeld, der schlesische Reformator und seine Botschaft. Ketzer oder Heilige?Metzingen 1998. 

[27]J. Wayne Baker over Leo Jud in: H.J. Hillerbrand (Ed.), The Oxford Encyclopedia of the Reformation,II, New York/Oxford 1996, p.356. 

[28]Hierover o.m. Detlef Roth in: Heinrich Bullinger Schriften, Band I, Zürich 2004, S. 52. 

[29]Vgl. Klaus Deppermann, ‘Schwenckfeld and Leo Jud on the Advantages and Disadvantages of the State Church’; in: Peter C. Erb (Ed.), Schwenckfeld and Early Schwenckfeldianism.Pennsburg Pa. 1986, p. 211-236. In dezelfde bundel publiceerde Gottfried Seebass over ‘Caspar Schwenckfeld’s Understanding of the Old Testament’, p. 87-101; een Duitstalige versie vindt men in: Gottfried Seebaβ, Die Reformation und ihre Auβenseiter. Göttingen 1997, S. 336-349. 

[30]Zie Urs B. Leu, ‘Gutachten Bullingers und der Pfarrerschaft über die Bestrafung der Täufer (Mai 1535)’, in: ZwinglianaXXX (2003), S. 103-126. 

[31]Peter Opitz, Heinrich Bullinger als Theologe. Eine Studie zu den ‘Dekaden’.Zürich 2004; zie vooral de in de inhoudsopgave aangegeven hoofdstuktitels. 

[32]Fritz Büsser, Heinrich Bullinger. Leben, Werk und Wirkung.Band II, Zürich 2005. S. 157. Men ziet hier Bullinger als ‘Europees strateeg’, met de bedoeling om de Reformatie te beschermen. 

[33]Een heel goed hanteerbare samenvatting van dit werk gaf Van ’t Spijker in Rondom de doopvont, p. 241vv. 

[34]In 1569 vertaalde de gereformeerde predikant Gerardus Nicolai uit het Oost-Friese NordenDer Widertöufferen ursprungin het Nederlands. Hij laste alleen wel een aantal mededelingen in vanuit zijn eigen leefwereld, bijv. over David Joris en Menno Simons die betrekkelijk veel invloed hadden in Oost-Friesland. S.B.J. Zilverberg in Biografisch Lexicon Nederlands Protestantisme, IV, 242. 

[35]Samme Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden. Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden 1531-1675, Hilversum/Leeuwarden 2000, p. 218. Zijlstra noemt daar o.m. de inquisiteur Lindanus (ketterjager in Friesland), die vrij veel plagiaat pleegde met de tekst van Bullinger. 

[36]Vgl. H. Fast, O.c., S. 79. 

[37]Deze Catechismus is op internet te raadplegen via de site: www.solideogloria.ch/Bullinger/catechismus.htm

[38]Opmerkelijk is hier dat de Heidelbergse Catechismus in dezen niet spreekt van ‘ons’, maar van ‘ik’.  Bijv. Zondag 12. 

[39]Hierover meer in de bijdrage van Johannes A. Meijer in de bundel onder redactie van Mees te Velde, Confessies. Gereformeerde geloofsverantwoording in zestiende-eeuws Europa, Heerenveen 2009, p. 503-595 (incl. de tekst van de Tweede Helvetische Confessie in een Nederlandse vertaling). 

[40]Het Ehegericht was in Zürich ingesteld tijdnes de reformatorische vernieuwingen van Zwingli in 1525. Hierover uitgebreid: Kungolt Kilchmann, Die Organisation des zürichen Ehegerichts zur Zeit Zwinglis. Zürich 1946. Over Bullingers Eheschriften schreef Detlef Roth in Zwingliana,XXXI (2004), S. 275-309. 

[41]De originele teksten van Bullingers geschriften aan het adres van de stedelijke overheid zijn te vinden in: Heinrich Bullinger, Schriften zum Tage. Eds. Hans U. Bächtold, Ruth Jörg en Christian Moser. Zug 2006; tegelijk was ervoor gezorgd dat een modern-Zwitsers-Duitse weergave werd uitgegeven in de reeks: Heinrich Bullinger, Schriften, Band 6. Eds. Hans U. Bächtold, Ruth Jörg en Peter Opitz. Zürich 2006. 

[42]Rudolf Gwalther (1519-1586) was een veelzijdig geleerde die als predikant zeer geliefd was bij zijn hoorders. Hij werd in 1575 inderdaad aangesteld als Antitstes. 

[43]Aldus Raath in ‘Heinrich Bullinger, political covenantalism and Vermigli’s commentary on Judges’, in het Zuid-Afrikaanse tijdschrift In die Skriflig 39 (2), 2005, pp. 311-324.